Ga naar hoofdinhoud
Versie: 2026-01

Technische onderdelen

16 Algemene bepalingen

16.1

Volgorde in de wedstrijd en pogingen (WPA Rule 24.6)

16.1.1

Bij zittende werpwedstrijden hebben de atleten zes pogingen die ze achter elkaar afwerken, tenzij de technisch gedelegeerde besluit de eerste drie ronden af te werken in twee of meer verschillende poules. Bij IPC Games en IPC competitions strijden wordt aanbevolen dat de volgorde waarin de atleten voor hun zes pogingen deelnemen, wordt bepaald door de ranglijst met geldige prestaties die volgens een afgesproken periode is samengesteld. De startlijst wordt dan in omgekeerde volgorde van de ranglijst samengesteld.

Ingeval er acht atleten of minder zijn, dan hebben alle atleten in alle gevallen recht op zes pogingen.

16.1.2

Als bij zittende werpwedstrijden de eerste drie pogingen in verschillende poules wordt afgewerkt, dan worden de laatste drie ronden afgewerkt in de volgorde van de beste prestaties uit de eerste drie pogingen, gerangschikt van laag naar hoog.

Bij acht atleten en minder, waarbij er atleten zijn die in de eerste drie ronden geen geldige pogingen hebben genoteerd, zullen deze atleten hun vervolgpogingen doen vóór de atleten met geldige pogingen in de eerste drie ronden.

16.2

Toegestane tijd voor pogingen (WPA Rule 24.17)

16.2.1

Bij technische onderdelen voor klasse 11 en 12 atleten die gebruik maken van een roeper of een escort, begint de klok te lopen zodra naar de mening van het jurylid het oriëntatieproces is voltooid. Als een atleet een verbale bevestiging wenst te ontvangen van het starten van de klok, dan dient de jury hem die te geven.

16.2.2

Als een atleet zijn oriëntatie verliest en vraagt om zich opnieuw te mogen oriënteren, dan dient de klok stilgezet te worden. Pas als de atleet gereed is om zijn poging te vervolgen, dan dient de klok weer aangezet te worden, waarbij de eerder verstreken tijd verloren is gegaan.

16.2.3

Bij zittende werpwedstrijden begint de klok te lopen vanaf het moment waarop het werptuig aan de atleet is aangeboden, nadat de stoel is vastgezet en de atleet zichzelf met riemen heeft vastgezet.

16.2.4

Bij zittende werpwedstrijden is de talmtijd 1 min, behalve voor de vierde worp, dan is de talmtijd 2 min.

Hinken (WPA Rule 24.23)

16.3

Bij de aanloop van springonderdelen is hinken toegestaan voor atleten in de klassen T42-44 en T61-64.

17 Prothesen (WPA Rule 25.7)

a. Als een atleet zijn prothese gedurende de aanloop verliest, dan kan de atleet zijn aanloop niet vervolgen zonder prothese. De atleet moet dan zijn prothese opnieuw bevestigen of vastmaken en zijn poging opnieuw beginnen als er tenminste nog tijd voor zijn poging over is.
b. Als de atleet zijn prothese verliest tijdens de sprong, en de prothese gaat niet over de lat, dan zal de poging als ongeldig worden aangemerkt.

18 Hoogspringen (WPA Rule 26)

Atleten in de klasse T11 mogen voor aanvang van hun aanloop de lat als hulp bij de oriëntatie aanraken. Als bij deze oriëntatie de lat er af valt, dan geldt dit niet als een foutpoging.
Atleten in klasse T12 en T13 mogen een geschikt visueel hulpmiddel op de lat aanbrengen.

19 Verspringen en hink-stap-springen

Afzetvlak (WPA Rule 27.6)

19.1

Bij wedstrijden voor atleten in klasse T11 en T12 bestaat het afzetvlak uit een rechthoek van 1,00 m bij 1,22 m. Het moet geprepareerd worden met kalk, talkpoeder, lichte kleur zand.

Landingsbak (WPA Rule 27.7)

19.2

Bij wedstrijden voor atleten in klasse T11 en T12 wordt het - om veiligheidsdoeleinden - sterk aanbevolen dat de minimumafstand tussen de as van de aanloop en de zijkanten 1,75 m bedraagt. Als dit niet mogelijk is, dan mag de technisch gedelegeerde aanvullende veiligheidsmaatregelen eisen.

Afstandsmeting (WPA Rule 27.10)

19.3

Bij wedstrijden voor atleten in klasse T11 en T12 worden alle pogingen (loodrecht) gemeten vanaf de teen in het afzetvlak tot de achterste indruk in de zandbak. Als de atleet afzet voor het afzetvlak, dan wordt gemeten vanaf het begin van het afzetvlak.

Prothesen (WPA Rule 27.14)

19.4

a. Als een atleet zijn prothese gedurende de aanloop verliest, dan kan de atleet zijn aanloop niet vervolgen zonder prothese. De atleet moet dan zijn prothese opnieuw bevestigen of vastmaken en zijn poging opnieuw beginnen als er tenminste nog tijd voor zijn poging over is.
b. Als de prothese verloren gaat tijdens de poging, en de indruk waar de prothese landt is de achterste indruk, dan is die indruk bepalend voor de meting.
c. Als de prothese buiten de landingsbak landt, dan wordt de poging als ongeldig beschouwd.

20 Hink-stap-springen (WPA Rule 29)

20.1

Bij door WPA erkende wedstrijden moet er een aparte afzetbalk zijn voor mannen en vrouwen.

20.2

Voor atleten in de klasse T45-47 is het aanbevolen dat de afzetbalk voor mannen op 11 meter ligt en die voor vrouwen op 9 meter.

20.3

Voor atleten in klasse T11 wordt een minimumafstand voor de afzetlijn van het afzetvlak van 9 meter aanbevolen.

20.4

Voor atleten in klasse T12 en T13 wordt een minimumafstand voor de afzetlijn van het afzetvlak van 11 meter aanbevolen.

21 Algemene bepalingen werponderdelen (WPA Rule 34)

21.1

De gewichten van het werpmateriaal voor de verschillende sportklassen is opgenomen in Bijlage 2.

21.2

Discuswerpen en clubwerpen moet vanuit een kooi gebeuren

Assistentie (WPA Rule 34.5 en 34.6)

21.3

Het gebruik van een handschoen is toegestaan voor atleten in de klassen F31-33 en F51-53 voor de hand waar ze niet mee werpen. Deze hand wordt vaak gebruikt om zichzelf mee vast te zetten aan de paal.

21.4 Ring (WPA Rule 34.7 en 34.8)

a. Ingeval de werpring voldoet aan de eisen die genoemd zijn in WPA Rule 34.7, dan is een draagbare cirkel die aan deze eisen voldoet acceptabel, afhankelijk van het soort wedstrijd.
b. Bij WPA erkende wedstrijden moet er gebruik gemaakt worden van WPA goedgekeurde vastzetinrichtingen. Verplaatsbare ringen zijn acceptabel.
c. Bij IPC Games en IPC wedstrijden moet de ring samengesteld zijn uit beton, asfalt of een vergelijkbaar niet glad materiaal.
d. Als WPA goedgekeurde vastzetinrichtingen gebruikt worden, dan moet het ringoppervlak een vergelijkbare grip geven als een betonnen ring.
e. Met toestemming van de technisch gedelegeerde mogen verplaatsbare platforms worden gebruikt. Het platform hoeft niet een hele cirkel te zijn. Voldoende is dat de voorste boog of een halve cirkel ontwikkeld is dat hetzelfde effect geeft als werpen vanuit een cirkel met een diameter van 2,135 m tot 2,50 m waarbij de sectorhoek niet gewijzigd is.
f. Alle zittende werponderdelen (kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen en clubwerpen) worden vanuit een cirkel met een diameter van 2,135 m of 2,50 m, waarbij gebruik gemaakt wordt van een 34.92 graden sector. De rand van de cirkel moet minimaal 6 mm dik zijn en wit van kleur. Het gebruik van verplaatsbare platforms die aan deze voorwaarden voldoen is toegestaan.

22 Bepalingen voor zittend werpen (WPA Rule 35)

22.1 Specificaties werpstoelen:

a. De maximale hoogte van het zitoppervlak (inclusief een eventueel kussen) mag niet meer dan 0,75 m bedragen.
b. Een werpstoel heeft een zitvlak dat vierkant of rechthoekig is en aan iedere zijde minstens 0,30 m lang is. Het zitoppervlak moet horizontaal zijn of waarvan de voorzijde hoger is dan de achterzijde (schuin aflopend naar achteren).
c. De werpstoel mag zij-, front- en rugsteunen bevatten om de veiligheid en stabiliteit te bevorderen. De steunen moeten van een non-elastisch materiaal zijn of een stijve constructie die niet kan bewegen. De rugsteun mag een kussen bevatten dat niet meer dan 5 cm dik is. De opbouw van de werpstoel mag het zicht van de juryleden niet belemmeren.
d. De zij-, front- en rugsteunen mogen geen veren of beweegbare delen bevatten die bijdragen aan de voorstuwing van het werptuig.
e. De werpstoel mag een stijve, verticale paal bevatten. De verticale paal moet bestaan uit een recht stuk materiaal, zonder bochten en met een dwarsdoorsnede dat rond of vierkant is, niet ovaal of rechthoekig. Er mogen geen veren of beweegbare onderdelen op zitten en mag niet de eigenschap hebben bij te dragen aan de voorstuwing van het werptuig.

Opmerking (i)

de meeste materialen bewegen wel iets onder druk. Het is meestal niet mogelijk tegen aanvaardbare kosten een paal te construeren waarbij elke beweging is uitgesloten. De beweging mag echter niet met het blote oog zichtbaar zijn en naar de mening van de jury een inbreuk vormen op de fundamentele principes.

Opmerking (ii)

de verticale paal mag met tape of een vergelijkbaar materiaal bedekt worden om de grip te verbeteren. De dikte van de tape of het vergelijkbare materiaal mag niet leiden tot het behalen van een oneerlijk voordeel.

f. Geen enkel deel van de werpstoel (daaronder ook gerekend de verticale paal) mag bewegen tijdens de uitvoering van de poging. De hoeken van het zitvlak mogen inkepingen bevatten om de zij-, front- of rugsteunen te realiseren. De afmetingen van deze inkepingen moet bij voorkeur beperkt blijven tot de strikt noodzakelijke ruimte om de steunen te realiseren. De vorm van het zitvlak moet vierkant dan wel rechthoekig blijven.
g. Het gebruik van voetplaten voor stabiliteit is toegestaan.
h. Een rolstoel die voor dagelijks gebruik is bedoeld, en voldoet aan bovengenoemde criteria is eveneens toegestaan.

22.2

Werpstoelen worden gemeten en gekeurd in de call room of op het wedstrijdterrein voor aanvang van het betreffende onderdeel. Als de werpstoel is gemeten en gekeurd, dan moet de stoel op het wedstrijdterrein blijven. Werpstoelen kunnen door officials voor, tijdens of na de wedstrijd herkeurd worden.

Opmerking

de meting en keuring van de werpstoel vindt altijd plaats zonder dat de atleet zelf op de werpstoel zit.

22.3

Het is de verantwoordelijkheid van de atleet om te zorgen dat zijn werpstoel aan de eisen voldoet. Het begin van onderdelen wordt niet uitgesteld omdat een atleet aanpassingen aan zijn werpstoel moet doen.

22.4

Bij het plaatsen en vastzetten van de werpstoel in de ring moeten alle onderdelen van de werpstoel (waaronder de verticale paal, voetplaten) zich binnen het verticale vlak door de ring bevinden.

22.5

Atleten krijgen een redelijke hoeveelheid tijd om hun stoel te positioneren, vast te zetten in de ring en aansluitend enkele warming up pogingen te doen. De tijd (inclusief warm-up pogingen) bedraagt maximaal:
a. 4 minuten voor klasse F32-34 en klasse F54-57 atleten;
b. 5 minuten voor klasse F31 en klasse F51-53 atleten.

Opmerking (i)

de tijd wordt gemeten vanaf het moment waarop de werpstoel is geplaatst, vastgezet op het platform zodat de atleet zichzelf in positie op de werpstoel kan vastzetten.

Opmerking (ii)

als een onderdeel in twee poules wordt afgewerkt, dan moeten de stoelen voor aanvang van de vierde ronde nog eens worden geplaatst. Dan bedragen de tijden hiervoor genoemd 2 minuten voor klasse F32-34 en klasse F54-57 atleten en 3 minuten voor klasse F31 en klasse F51-53 atleten. Warming up pogingen zijn dan niet meer toegestaan.

22.6

Ingeval een vastzetinrichting breekt of niet functioneert tijdens de uitvoering van de poging dan heeft de jury de volgende opties:
a. als de atleet verder geen fout heeft gemaakt en hij is tevreden met zijn afstand, dan is de poging geldig en wordt het resultaat genoteerd.
b. als echter de atleet daarbij een foute poging heeft gemaakt, dan telt het resultaat niet en krijgt de atleet een vervangende poging.

23 Beoordeling zittend werpen (WPA Rule 36)

23.1 Bij zittende werponderdelen moeten de atleten het werptuig vanuit de werpstoel in een zittende positie werpen. Onder zittende positie wordt verstaan:

a. De atleet zit op een wijze dat beide benen contact hebben met het zitoppervlak, van de achterkant van de knie tot de achterkant van de bips (ischial tuberosity). Voor atleten met beenamputaties boven of door de knie moet de resterende beenlengte contact hebben met het zitoppervlak tot aan de achterkant van de bips (ischial tuberosity).
b. Deze zittende positie moet gehandhaafd blijven gedurende de gehele werpactie tot het werptuig is geland. Het vastzetten van de bovenbenen en de heup met behulp van riemen wordt aanbevolen.

Opmerking (i)

De bedoeling van deze regel is een bijdrage van de benen aan de prestatie tot een minimum te beperken.

Opmerking (ii)

Als een atleet anatomische beperkingen heeft waardoor hij / zij niet kan voldoen aan bovenstaande eisen, dan is een beoordeling vóór aanvang van het onderdeel gewenst. WPA zal een procedure ontwikkelen voor deze uitzondering zodat de atleet in de geest van het reglement kan deelnemen.

Opmerking (iii)

Voor deze regel wordt onder de achterkant van de bips verstaan met meest achterste deel dat in contact met het zitoppervlak staat. Dit ingeval de atleet zit en naar voren buigt waardoor de borst naar de knieën buigt en de bips nog contact houdt met het zitoppervlak.

23.2

Een atleet moet zijn poging vanuit een stabiele zittende positie beginnen.

23.3

De poging wordt ongeldig verklaard als de atleet door beweging zijn zittende positie verlaat vanaf het moment dat de atleet het werptuig van de jury overhandigd krijgt tot het moment waarop het werptuig is geland.

23.4

De poging is ongeldig als de atleet de vastzetriemen buiten het verlengde van de cirkel raakt (WPA Rule 34-9-b).

24 Clubwerpen (WPA Rule 37)

Wedstrijd

24.1

De club moet met een hand aan de nek en / of de kop worden vastgehouden. De club mag voorwaarts (vanuit een positie met zicht op het werpterrein) maar ook rugwaarts (zonder zicht op het werpterrein) geworpen worden. In het laatste geval zal het werptuig over het hoofd geworpen worden.

De club

24.2

De club bestaat uit vier hoofddelen: een kop, een nek, het centrale deel en een einde. De kop, nek en het centrale deel moeten massief zijn en van hout gemaakt op een wijze dat een vast en geïntegreerd geheel ontstaat. Het centrale deel loopt uit in een het einde dat een cilindervorm heeft, van metaal is, zonder scherpe randen of uitsteeksels.

24.3

Het oppervlak van de kop, nek en het centrale deel zullen glad zijn en bevatten geen knoesten of andere oneffenheden.

24.4

De kop is ovaal of heeft een cilindervorm en loopt taps toe naar de nek. De diameter van het breedste deel van het centrale deel mag niet meer dan 60 mm bedragen en mag een cilindervorm hebben. De club loopt regelmatig taps naar de nek en lichtelijk taps naar het metalen einde.

24.5

De club heeft de volgende specificaties:

  • minimumgewicht voor toelating tot de wedstrijd en erkenning van een record: 397 gram;
  • voor fabrikanten: marge tussen de 402 en 422 gram;
  • lengte (inclusief metalen einde) minimaal 350 mm en maximaal 390 mm;
  • diameter van de nek: minimaal 18 mm en maximaal 20 mm;
  • diameter van het breedste deel: minimaal 50 mm en maximaal 60 mm;
  • diameter van het metalen einde: minimaal 38 mm en maximaal 39 mm;
  • dikte van het metalen einde: minimaal 12.5 mm en maximaal 13 mm.