Ga naar hoofdinhoud
Versie: 2026-01

Deel III - Technische onderdelen

25 Algemene bepalingen - technische onderdelen

Inspringen / inwerpen op het wedstrijdterrein

25.1

Vóór aanvang van de wedstrijd mag iedere atleet op het wedstrijdterrein inspringen of inwerpen. De oefenpogingen bij de werponderdelen dienen te gebeuren in de volgorde van de jurylijst en altijd onder toezicht van de jury.

Groene tekst

Terwijl in het verleden in de regels was voorgeschreven dat iedere atleet bij de werponderdelen twee oefenpogingen moest krijgen, is deze bepaling nu vervallen. Regel TR25.1 behoort zo te worden geïnterpreteerd, dat het toegestane aantal oefenpogingen afhankelijk is van de beschikbare tijd voor warming-up. Bij belangrijke wedstrijden blijven twee pogingen als minimum aantal gelden. Als er voldoende tijd is en enkele of alle atleten vragen om meer pogingen, kan dit worden toegestaan.

25.2

Zodra de wedstrijd is begonnen, mogen de atleten voor oefendoeleinden geen gebruik meer maken van:

25.2.1

de aanloop of het afzetvlak;

25.2.2

polsstokken;

25.2.3

werpmateriaal;

25.2.4

de ringen of de aanloop of het gebied binnen de sector met of zonder werpmateriaal.

N.B. het gebruik van werpmateriaal buiten de ring of de speerwerpaanloop is te allen tijde verboden.

Groene tekst

De toepassing van deze regel betekent niet, dat een atleet een polsstok of zijn geselecteerde werpmateriaal niet mag aanraken, nazien of tapen ter voorbereiding op zijn poging, mits dat geen gevaar, vertraging of belemmering oplevert voor andere atleten of andere personen. Het is bijzonder belangrijk dat juryleden deze regel op redelijke wijze toepassen, waardoor zeker gesteld wordt dat de wedstrijd efficiënt verloopt en de atleet in staat is om desgewenst ogenblikkelijk te starten met zijn poging als daarvoor zijn tijd ingaat.

Merktekens

25.3

Merktekens, als volgt:

25.3.1

Bij alle technische onderdelen waarbij een aanloop wordt gebruikt, moeten merktekens naast de aanloop worden geplaatst, behalve bij het hoogspringen waar de merktekens op de aanloop mogen worden aangebracht. Een atleet mag een of twee merktekens (beschikbaar gesteld of goedgekeurd door de organisatoren) gebruiken als hulpmiddel bij zijn aanloop en afzet. Als de merktekens niet zijn verstrekt mag hij kleefband gebruiken, maar geen krijt of een vergelijkbare substantie noch een middel dat onuitwisbare sporen op de baan achterlaat.

25.3.2

Bij de werponderdelen vanuit een ring mag slechts één merkteken worden gebruikt. Dit merkteken mag uitsluitend op de grond direct achter of naast de ring worden geplaatst, maar niet op een van de lijnen of in de landingssector. Het merkteken mag er alleen zijn gedurende de poging van de desbetreffende atleet en mag het zicht van de jury niet belemmeren. Persoonlijke markeringen in of naast de landingszone zijn niet toegestaan.

Opmerking

De merktekens moeten uit één stuk bestaan.

25.3.3

De juryleden moeten de desbetreffende atleet opdracht geven markeringen die niet aan deze regel voldoen aan te passen of te verwijderen. Als hij dit niet doet moeten de juryleden deze markeringen of voorwerpen verwijderen.

25.3.4

Bij het polsstokhoogspringen wordt aanbevolen dat de organisator geschikte en veilige markeringen naast de aanloop aanbrengt met een onderlinge afstand van 0,5 m tussen de punten die gelegen zijn van 2,5 tot 5 m vanaf de nullijn en met een tussenafstand van 1,0 m tussen de punten die van 5 m tot 18 m van de nullijn liggen.

Opmerking

Ernstige gevallen kunnen verder worden afgehandeld volgens regel TR7.1 en TR7.3.

Groene tekst

Als de grond nat is, mag tape met punaises van verschillende kleuren worden bevestigd.
Het vereiste dat een merkteken uit één stuk bestaat, hoort op redelijke wijze te worden geïnterpreteerd door de scheidsrechter. Als bijvoorbeeld de fabrikant twee aan elkaar bevestigde stukjes heeft gebruikt om een merkteken te maken dat als zodanig te gebruiken is, behoort dat toegestaan te worden. Ook als een atleet ervoor kiest zijn twee merktekens te gebruiken op één plaats of als een atleet bij hoogspringen de tape die hij heeft gekregen in meer stukjes verdeelt om er voor meer duidelijkheid één merkteken van een afwijkende vorm van te maken, hoort dit geaccepteerd te worden.
Regel TR25.3.4 is bedoeld om atleten en hun coaches te helpen bij het bepalen van de afzet en bij de voortgang op de aanloop. Het is niet voorgeschreven hoe deze moeten worden geconstrueerd of hoe ze er uit moeten zien. Organisatoren en scheidsrechters hebben beoordelingsvrijheid over wat acceptabel en fair is binnen de bedoeling van deze regel in iedere aparte wedstrijd.

Merktekens om een prestatie aan te geven en windzakken / windvanen

25.4

Merktekens om een prestatie aan te geven en windzakken / windvanen, als volgt:

25.4.1

Er mogen opvallende vlaggetjes of bordjes worden geplaatst bij de afstanden van bestaande wereldrecords en, wanneer van toepassing, bij de afstanden van de bestaande Europese, nationale of meeting records.

25.4.2

Bij alle springonderdelen en bij het discus- en speerwerpen zou(den) op een geëigende plaats een of meer windzak(ken) of windva(a)n(en) geplaatst moeten worden om de atleten de globale windrichting en windsterkte te tonen.

Volgorde in de wedstrijd en pogingen

25.5

Tenzij regel TR25.6 van toepassing is, of de specifieke regels van het evenement anders bepalen, moeten de atleten deelnemen in de volgorde zoals die door loting is vastgesteld. Als een atleet op eigen initiatief in een andere volgorde een poging doet dan vooraf is vastgesteld, dan moeten regels TR7.1 en TR7.3 worden toegepast. Bij een waarschuwing blijft het resultaat van de poging (geldig of ongeldig) staan.

Als er een kwalificatieronde is gehouden, wordt de volgorde waarin daarna de finale wordt verwerkt opnieuw door loting vastgesteld.

25.6

Behalve bij het hoogspringen en het polsstokhoogspringen is het niet toegestaan dat van een atleet in één ronde van de wedstrijd meer dan één poging wordt vastgelegd.

Als er aan de technische onderdelen, met uitzondering van het hoogspringen en polsstokhoogspringen, zodra de wedstrijd begint, meer dan acht atleten deelnemen hebben allen recht op drie pogingen. De acht atleten met de beste geldige prestaties hebben recht op drie extra pogingen, tenzij in de geldende wedstrijdbepalingen anders is voorzien.

Als voor de laatste plaats die recht geeft op drie extra pogingen twee of meer atleten dezelfde beste prestaties hebben staan, dan moet regel TR25.22 worden toegepast. Als daarbij wordt vastgesteld dat er sprake is van gelijk eindigen, dan hebben de atleten die gelijk geëindigd zijn, recht op extra pogingen zoals beschreven in de geldende wedstrijdbepalingen.

Als er acht of minder atleten zijn, hebben alle atleten recht op zes pogingen, tenzij in de geldende wedstrijdbepalingen anders is voorzien. Als er een of meer atleten bij de eerste drie ronden geen enkele geldige poging heeft / hebben, dan moeten zij in de daarop volgende ronden hun pogingen doen voorafgaand aan de atleten met geldige pogingen, in dezelfde volgorde als van de oorspronkelijke loting.

In beide gevallen:

25.6.1

worden de vervolgronden verwerkt in volgorde van de beste prestatie van de atleten uit de eerste drie pogingen, gerangschikt van laag naar hoog, tenzij in de geldende wedstrijdbepalingen anders is voorzien;

25.6.2

wanneer de volgorde moet worden veranderd en twee of meer atleten in de eerste drie ronden hetzelfde resultaat hebben behaald, dan moeten zij de resterende pogingen doen in dezelfde onderlinge volgorde als bij de oorspronkelijke loting was vastgesteld.

Opmerking (i)

Zie voor verticale sprongen regel TR26.2.

Opmerking (ii)

Als het een of meer atleten door de scheidsrechter in overeenstemming met regel TR8.5 toegestaan wordt om in een wedstrijd "onder protest" verder deel te nemen, dan moeten deze atleten in volgende ronden hun pogingen doen vóór alle anderen die nog in de wedstrijd zijn en als het om meer dan één atleet gaat, in dezelfde volgorde als in de oorspronkelijke loting.

Opmerking (iii)

De desbetreffende bevoegde instantie, mag het aantal pogingen bepalen (op voorwaarde dat het er niet meer dan zes zijn) en het aantal atleten dat na de derde ronde door mag gaan naar iedere volgende ronde.

Opmerking (iv)

De desbetreffende bevoegde instantie mag bepalen dat na de derde ronde de volgorde van de deelnemers in iedere volgende ronde kan worden gewijzigd.

Opmerking (v)

Bij wedstrijden die worden gehouden volgens paragraaf 1. (d) en 2. (d) van de definitie van de World Rankings Competition, mogen atleten in een volgorde worden ingedeeld, gerangschikt en / of geplaatst volgens de bepalingen die voor die wedstrijd gelden of volgens een andere methode die door de wedstrijdorganisatoren is vastgesteld. Maar bij voorkeur moet die methode voorafgaand aan de wedstrijd aan de atleten en hun vertegenwoordigers worden bekendgemaakt

Groene tekst

Wanneer een atleet bij een onderdeel de wedstrijd heeft beëindigd, hetzij op eigen initiatief, hetzij door een beslissing conform regelWR6, mag deze atleet niet verder deelnemen aan enig deel van dat onderdeel. Dit is inclusief, bij de verticale springonderdelen, een barrage voor de eerste plaats, of bij de meerkamp het desbetreffende onderdeel waarvoor de atleet zich heeft afgemeld.
Als bij de horizontale technische onderdelen er meer dan acht atleten deelnemen, dan hebben alleen de acht atleten met de beste geldige prestaties recht op extra poging(en). Eis is, dat er van een atleet een gemeten resultaat van een correcte sprong of worp bij een van de eerste drie pogingen moet zijn vastgelegd. Als minder dan acht atleten een geldig resultaat hebben behaald, dan krijgen alleen die atleten extra pogingen, ook al betekent dit dat er minder dan acht atleten verder gaan.

Registratie van pogingen

25.7

Behalve bij de onderdelen hoogspringen en polsstokhoogspringen moet voor een geldige poging de gemeten afstand worden genoteerd.

Zie regel WR25.4 voor de standaard afkortingen en symbolen die in alle andere gevallen gebruikt moeten worden.

Voltooiing van de pogingen

25.8

Het jurylid mag pas dan een witte vlag opsteken zodra de poging volledig is voltooid. Het jurylid mag zijn beslissing herzien als hij meent dat hij de verkeerde vlag heeft opgestoken.

Het voltooien van een geldige poging moet als volgt worden vastgesteld:

25.8.1

bij de verticale sprongen, wanneer de jury heeft vastgesteld dat er geen overtreding heeft plaatsgevonden van regel TR27.2, TR28.2 of TR28.4;

25.8.2

bij de horizontale sprongen, zodra is vastgesteld dat de atleet de landingsbak in overeenstemming met regel TR30.2 heeft verlaten;

25.8.3

bij de werponderdelen, zodra is vastgesteld dat de atleet de ring of aanloop in overeenstemming met regel TR32.17 heeft verlaten.

Kwalificatieronden

25.9

Als bij de technische onderdelen het aantal atleten te groot is om de wedstrijd in één ronde bevredigend te kunnen verwerken, moet er een kwalificatieronde worden gehouden. Als er een kwalificatieronde wordt gehouden, moeten alle atleten daaraan deelnemen en kwalificeren om zich te kunnen plaatsen voor een volgende ronde, behalve wanneer de desbetreffende bevoegde instantie, voor één of meer onderdelen, het houden van (een) aanvullende voorafgaande kwalificatieronde(n) toestaat, hetzij tijdens dezelfde wedstrijd of tijdens een of meer eerdere wedstrijden, om zo voor sommige of voor alle atleten vast te stellen wie aan de wedstrijd mogen deelnemen en in welke ronde. Zulke procedures en alle andere voorwaarden (zoals bijv. voldoen aan limieten gedurende een vastgestelde periode, behalen van een bepaalde plaats in een aangewezen wedstrijd of een gespecificeerde plaats op de ranglijst) waardoor een atleet het recht krijgt om deel te nemen aan de wedstrijd en in welke ronde van de wedstrijd, moeten worden vermeld in de bepalingen van iedere wedstrijd.

De in een kwalificatieronde of aanvullende kwalificatieronde(n) behaalde prestaties tellen niet mee voor de finale.

25.10

De atleten moeten normaal gesproken worden verdeeld in twee of meer groepen waarvan de sterkte ongeveer gelijk is, maar indien mogelijk moeten atleten van hetzelfde land of team in verschillende groepen worden geplaatst. Tenzij er mogelijkheden zijn om de groepen gelijktijdig en onder dezelfde omstandigheden hun wedstrijd te laten verwerken, moet de volgende groep met inspringen / inwerpen beginnen direct nadat de voorgaande groep de kwalificatieronde heeft voltooid.

25.11

Bij wedstrijden die meer dan drie dagen duren, wordt aanbevolen om bij de verticale springonderdelen een rustdag in te lassen tussen de kwalificatieronde en de finale.

25.12

De voorwaarden voor de kwalificatieronden, de kwalificatie-eisen en het aantal atleten in de finale worden vastgesteld door de Technisch Gedelegeerde(n). Als er geen Technisch Gedelegeerde(n) is (zijn) benoemd worden de voorwaarden vastgesteld door de organisatoren. Bij wedstrijden volgens paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition moeten er tenminste twaalf atleten tot de finale worden toegelaten, tenzij anders bepaald in de specifieke bepalingen voor die wedstrijd.

Opmerking

In de van toepassing zijnde wedstrijdbepalingen, kan worden gespecificeerd hoe door terugtrekking vrijgekomen plaatsen kunnen worden ingevuld door atleten die in de kwalificatieronde een plaats in de rangorde na de gekwalificeerde atleten hebben.

25.13

In de kwalificatieronde, met uitzondering van hoog- en polsstokhoogspringen, heeft iedere atleet recht op maximaal drie pogingen. Zodra een atleet de kwalificatie-eis heeft gehaald, is het hem niet toegestaan in deze kwalificatieronde verder deel te nemen.

25.14

In de kwalificatieronden voor hoogspringen en polsstokhoogspringen, moeten de atleten die nog niet zijn uitgeschakeld, volgens regel TR26.2 doorgaan met de wedstrijd (met inbegrip van de atleten die een poging hebben overgeslagen) tot en met de laatste poging op de vastgestelde kwalificatiehoogte, tenzij het aantal atleten voor de finale, zoals gedefinieerd in regel TR25.12, al is bereikt. Zodra is vastgesteld dat een atleet zich heeft geplaatst voor de finale, mag hij niet langer aan de kwalificatieronde deelnemen.

25.15

Als er geen atleet, of minder dan het vereiste aantal atleten, de vooraf bepaalde kwalificatie-eis haalt, wordt de groep atleten die zich plaatst voor de finale aangevuld tot het vastgestelde aantal met atleten die de kwalificatie-eis niet hebben gehaald, in volgorde van hun tijdens de kwalificatieronde geleverde prestatie. Als het gaat om de laatste kwalificatieplaats en er twee of meer atleten dezelfde beste prestaties in de hele wedstrijd hebben gerealiseerd dan is regel TR25.22 of TR26.8 van toepassing. Als daarbij wordt vastgesteld dat er een gelijke stand is zullen de atleten met hetzelfde resultaat in de finale worden geplaatst.

25.16

Als de kwalificatieronde voor hoogspringen of polsstokhoogspringen gelijktijdig in twee groepen wordt verwerkt, wordt aanbevolen de verhoging van de lat bij elke groep steeds gelijktijdig te laten plaatsvinden.

Groene tekst

Bij een kwalificatieronde voor hoogspringen en polsstokhoogspringen is het belangrijk dat de regel TR25.10 in acht wordt genomen. De Technisch Gedelegeerden en de World Athletics referee / scheidsrechter moeten de vorderingen in de kwalificatieronde van hoogspringen en polsstokhoogspringen nauwgezet volgen om te verzekeren dat enerzijds de atleten moeten springen (of aangeven dat zij overslaan) zolang zij niet uitgeschakeld zijn volgens regel TR26.2 tot de kwalificatie-eis is gehaald (tenzij het aantal atleten voor de finale is bereikt volgens regel TR25.12) en anderzijds, dat elke gelijke stand in de totaalstand van de twee groepen volgens regel TR26.8 wordt opgelost. Alle aandacht voor de toepassing van regel TR25.14 is nodig om er zeker van te zijn, dat atleten niet onnodig doorgaan met de wedstrijd als zeker is dat zij een finaleplaats hebben bereikt ongeacht wat er gebeurt met atleten die nog verder strijden in de kwalificatieronde.

Toegestane tijd voor pogingen

25.17

Het daarvoor aangewezen jurylid moet aan de atleet aangeven dat alles gereed is om met de poging te beginnen en dat de tijd die voor die poging staat op dat moment begint te lopen.

Bij het polsstokhoogspringen gaat de tijd in zodra de staanders volgens de van tevoren opgegeven wensen van de atleet zijn geplaatst.

Als de tijd verloopt op het moment dat de atleet al aan zijn poging is begonnen, wordt de poging daarom niet afgekeurd.

Als de tijd voor een poging loopt en een atleet besluit vervolgens dat hij geen poging zal doen, dan moet op het moment dat de tijd voor die poging verstrijkt dit worden beschouwd als een ongeldige poging.

De volgende tijden mogen niet worden overschreden. Tenzij een beslissing is genomen volgens het bepaalde in regel TR25.18, moet bij overschrijding een poging als ongeldig worden genoteerd:

Individuele onderdelen

Aantal atleten nog in de wedstrijdHoogPolsstokhoogAndere onderdelen
Meer dan 3 atleten (of voor de eerste poging van iedere atleet)1 min1 min1 min
2 of 3 atleten1,5 min2 min1 min
1 atleet3 min5 min-

Meerkampen

Aantal atleten nog in de wedstrijdHoogPolsstokhoogAndere onderdelen
Meer dan 3 atleten (of voor de eerste poging van iedere atleet)1 min1 min1 min
2 of 3 atleten1,5 min2 min1 min
1 atleet2 min3 min-

Opeenvolgende pogingen

Aantal atleten nog in de wedstrijdHoogPolsstokhoogAndere onderdelen
Opeenvolgende pogingen2 min3 min2 min
Opmerking (i)

Een klok waarop de nog overgebleven toegestane tijd voor een poging wordt aangegeven, moet zichtbaar voor de atleet bij het onderdeel worden geplaatst. Daarnaast moet een jurylid door middel van het heffen en omhoog houden van een gele vlag aangeven, dat er voor de poging nog 15 seconden van de beschikbare tijd over zijn.

Opmerking (ii)

Bij het hoogspringen en polsstokhoogspringen mag de toegestane tijd voor een poging niet worden veranderd, tot de lat op een nieuwe hoogte wordt gelegd, behalve wanneer de tijd voor opeenvolgende pogingen moet worden toegepast. Met uitzondering van de tijd die gespecificeerd is voor opeenvolgende pogingen, zal de toegestane tijd bij de andere technische onderdelen niet veranderen.

Opmerking (iii)

Bij het vaststellen van het aantal atleten dat nog aan de wedstrijd deelneemt, moet rekening worden gehouden met die atleten die eventueel een barrage moeten springen.

Opmerking (iv)

Als er bij het hoogspringen en het polsstokhoogspringen nog maar één atleet over is, die bovendien de wedstrijd gewonnen heeft, dan mogen de hierboven vermelde tijden met één minuut worden verlengd, als die atleet een poging doet een wereldrecord of een ander voor de wedstrijd relevant record te verbeteren.

Opmerking (v)

Bij de verticale springonderdelen wordt het aantal atleten dat nog in de wedstrijd is, vastgesteld op het moment dat de lat op een nieuwe hoogte wordt gelegd.

Opmerking (vi)

De tijd voor opeenvolgende pogingen zal worden toegepast op alle opeenvolgende pogingen onafhankelijk van het feit of het gaat om een vervangende poging in dezelfde ronde op dezelfde hoogte of een daaropvolgende hoogte bij de verticale springonderdelen, of als de volgorde wordt veranderd aan het eind van een ronde. De tijd voor opeenvolgende pogingen zal worden toegepast als die langer is, dan de toegestane tijd voor de poging gebaseerd op de berekening van het aantal atleten dat nog in de wedstrijd is. Als echter een atleet, gebaseerd op de berekening van het aantal atleten dat nog in de wedstrijd is, recht heeft op een langere tijd dan moet die worden toegepast.

Groene tekst

Wanneer een atleet 1 minuut voor een poging heeft, is het belangrijk dat de jury altijd een systeem hanteert waarmee de volgende atleet en degene die daarna aan de beurt is, tijdig wordt opgeroepen. De jury moet er zeker van zijn dat de accommodatie geheel gereed is voor de volgende poging voordat de volgende atleet opgeroepen wordt en de klok wordt gestart.
De juryleden en vooral de scheidsrechter moeten zich volledig bewust zijn van de huidige wedstrijdomstandigheden, inclusief de aanwijzingen van Event Presentation, voordat zij besluiten de klok te starten of een foutpoging wegens tijdsoverschrijding af te kondigen.
Speciale omstandigheden die extra aandacht vragen zijn de beschikbaarheid van de rondbaan als een atleet toe is aan een poging bij hoogspringen en bij speerwerpen (als er samenvallend looponderdelen plaatsvinden) en de afstand die atleten moeten afleggen om naar en binnen de kooi te lopen bij een poging discuswerpen en kogelslingeren.

► NED

Als een atleet bij een technisch onderdeel onredelijk talmt, kan de scheidsrechter beslissen, dat hij de poging niet meer mag doen en dat deze als fout wordt aangemerkt. Het is aan de scheidsrechter om, rekening houdend met de omstandigheden, in dit geval te beoordelen wat als onredelijk talmen wordt beschouwd.

Vervangende pogingen

25.18

Als, om welke reden dan ook, door een externe oorzaak een atleet wordt gehinderd tijdens het uitvoeren van een poging en niet in staat is de poging uit te voeren, of het resultaat van de poging niet correct kon worden vastgesteld, dan kan de desbetreffende scheidsrechter hem een vervangende poging toestaan, of de talmtijd geheel of gedeeltelijk terugzetten.

Verandering van volgorde is daarbij niet toegestaan. Afhankelijk van de omstandigheden, moet voor het uitvoeren van de vervangende poging een redelijke tijd worden toegestaan. In die gevallen waarbij de wedstrijd is doorgegaan voordat de vervangende poging is toegekend, moet die poging worden uitgevoerd voordat enige daarop volgende poging wordt gedaan.

Er zijn verschillende situaties waardoor aan een atleet een vervangende poging kan worden toegekend, met inbegrip van een procedurele of technische fout waardoor een poging niet opgemeten is en die meting ook niet accuraat opnieuw kan worden uitgevoerd. Terwijl dit zou moeten worden voorkomen met behulp van goede systemen en back-ups, moeten er, nu er meer en meer technologie gebruikt wordt, voorzieningen getroffen worden voor als er iets fout gaat. Omdat geen verandering in de volgorde toegestaan mag worden (tenzij het probleem niet onmiddellijk gezien is en het wedstrijdonderdeel verder is gegaan) moet de scheidsrechter besluiten hoeveel tijd wordt toegekend voor de vervangende poging, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van iedere afzonderlijke situatie.

Afwezigheid tijdens de wedstrijd

25.19

Bij de technische onderdelen mag een atleet tijdens de wedstrijd de directe omgeving waar het onderdeel plaats vindt niet verlaten, tenzij hij hiervoor toestemming heeft van en wordt begeleid door een official. Indien mogelijk moet bij overtreding eerst een waarschuwing worden gegeven, maar bij herhalingen of in ernstige gevallen moet de atleet worden gediskwalificeerd. Als een atleet vervolgens niet aanwezig is op het moment dat hij met zijn poging moet beginnen dan dient dit als een foutpoging te worden beschouwd, op het moment dat de tijd die hij voor die poging had verlopen is.

Verandering van plaats of tijd van verwerking

25.20

De Technisch Gedelegeerde(n) of de desbetreffende scheidsrechter heeft het recht om de plaats waar, of het tijdstip waarop het onderdeel wordt verwerkt te veranderen, als naar zijn inzicht de omstandigheden dit rechtvaardigen. Deze verandering mag pas plaatsvinden nadat een aan de gang zijnde ronde volledig is afgewerkt.

Opmerking

Noch de windsterkte, noch een verandering van de windrichting zijn omstandigheden, die wijzigen van plaats of tijd van de wedstrijd rechtvaardigen.

Groene tekst

De zinsnede: "aan de gang zijnde ronde" in plaats van "ronde" is wenselijk om een duidelijk verschil te benadrukken tussen een aan de gang zijnde ronde bij een technisch onderdeel en een ronde van een wedstrijd (zoals een kwalificatieronde of de finale).
Als de omstandigheden het onmogelijk maken een aan de gang zijnde ronde af te maken voordat een verandering van plaats of tijd gemaakt wordt, zou de Technisch Gedelegeerde (via de scheidsrechter) of de scheidsrechter normaal gesproken de al gedane pogingen in die aan de gang zijnde ronde nietig moeten verklaren (altijd al naar gelang en rekening houdend met de omstandigheden en met de resultaten tot het moment van de onderbreking) en de wedstrijd hervatten met het begin van die ronde. Zie ook regel TR11.4.

Resultaat

25.21

Voor iedere atleet telt het beste resultaat van al zijn pogingen, inclusief de resultaten die zijn behaald tijdens een barrage om de eerste plaats bij het hoogspringen of polsstokhoogspringen.

Gelijk eindigen

25.22

Met uitzondering van het hoogspringen en het polsstokhoogspringen, bepaalt bij de technische onderdelen de op één na beste prestatie van de atleten die dezelfde beste prestatie hebben behaald of er sprake is van een gelijke stand. Als dit ook geen beslissing oplevert, wordt het eindresultaat bepaald door de op twee na beste prestatie, enz. Wanneer de atleten bij toepassing van regel 25.22 nog steeds gelijk staan worden zij beschouwd als zijnde gelijk geëindigd.

Als, behalve bij de verticale springonderdelen, de stand gelijk blijft dan zal dit als zodanig in de uitslag worden opgenomen en eindigen zij op dezelfde plaats, ook als het gaat om de eerste plaats.

Opmerking

Zie voor verticale springonderdelen de regels TR26.8 en TR26.9.

Verticale springonderdelen

26 Algemene bepalingen verticale springonderdelen

26.1

De scheidsrechter of de chef van het juryteam moet, vóór het begin van de wedstrijd, aan de atleten meedelen op welke hoogte zal worden begonnen en wat de vervolghoogten zullen zijn. Dit geldt tot er slechts één atleet is overgebleven en deze atleet de wedstrijd heeft gewonnen, of tot er sprake is van een barrage. (voor meerkampen zie regel TR39.8.4).

Aantal pogingen

26.2

Een atleet mag beginnen op elke hoogte, zoals die van tevoren door de scheidsrechter of door de chef van het juryteam is aangekondigd, en op elke volgende hoogte staat het hem vrij al dan niet te springen. Drie opeenvolgende mislukte pogingen, onafhankelijk van de hoogte waarop deze mislukkingen plaatsvonden, schakelen de atleet uit, behalve in het geval er sprake is van een barrage.

Uit deze regel volgt, dat een atleet zijn tweede of derde poging op een bepaalde hoogte mag overslaan (nadat zijn eerste of tweede poging op die hoogte is mislukt) en nog steeds mag springen op een volgende hoogte.

Als een atleet op een bepaalde hoogte een poging overslaat, mag hij op deze hoogte niet naderhand nog een poging doen, uitgezonderd bij een eventuele barrage.

Als bij het hoogspringen en het polsstokhoogspringen een of meerdere atleten niet aanwezig is / zijn op het moment dat alle andere aanwezige atleten de wedstrijd beëindigd hebben, dan moet de scheidsrechter oordelen dat die atleet / atleten de wedstrijd heeft / hebben verlaten, zodra de tijd voor één verdere poging is verstreken.

Groene tekst

Terwijl de regel TR26.2 bepaalt dat een atleet, nadat hij bij de verticale springonderdelen in de eerste poging op een bepaalde hoogte heeft overgeslagen, hij niet meer mag springen bij de tweede en derde ronde op die hoogte, wordt aanbevolen om in wedstrijden van een lager niveau, zoals wedstrijden voor kinderen en schoolwedstrijden, de wedstrijdbepalingen zo aan te passen dat het de atleten toegestaan wordt om in zulke gevallen in de tweede of derde ronde alsnog te springen.

26.3

Zelfs nadat alle andere atleten zijn uitgeschakeld, heeft een atleet het recht door te springen, tot ook hij het recht om verder deel te nemen heeft verspeeld.

26.4

Tenzij er slechts één atleet is overgebleven en deze atleet de wedstrijd heeft gewonnen:

26.4.1

mag de verhoging na elke ronde nimmer minder bedragen dan 0,02 m bij het hoogspringen en 0,05 m bij het polsstokhoogspringen en

26.4.2

mag de verhoging nooit toenemen.

Het in de regels TR26.4.1 en TR26.4.2 gestelde, geldt niet als alle overgebleven atleten met elkaar overeenkomen om de lat direct op een (Nederlandse) recordhoogte (of een ander voor de wedstrijd relevante recordhoogte) te laten leggen.

Nadat een atleet de wedstrijd heeft gewonnen, wordt de vervolghoogte bepaald door deze atleet, in overleg met de desbetreffende jury of de scheidsrechter.

Opmerking

Deze regel is niet van toepassing op de meerkampen.

Hoogtemetingen

26.5

Bij alle verticale springonderdelen moet worden gemeten, in gehele centimeters, loodrecht vanaf de grond naar het laagste punt van de bovenkant van de lat.

26.6

Elke nieuwe hoogte moet worden gemeten voordat de atleten met hun pogingen beginnen. Als de lat vervangen is moet de hoogte opnieuw worden gemeten. Ook in alle gevallen, waarin een record in het geding is, moeten de juryleden vóór elke nieuwe recordpoging de hoogte opnieuw controleren als de lat na de voorgaande meting is aangeraakt.

Fig. TR 26 - Mogelijke eindstukken van springlatten

Fig. TR 26 - Mogelijke eindstukken van springlatten / (Alle afmetingen in mm)

De lat

26.7

De lat moet zijn vervaardigd van glasfiber of van een ander geschikt materiaal (geen metaal). De doorsnede moet, afgezien van de uiteinden, cirkelvormig zijn. De lat moet zodanig gekleurd zijn, dat die voor alle atleten met een normaal gezichtsvermogen zichtbaar is. De totale lengte van de lat moet 4,00 m ± 0,02 m voor het hoogspringen en 4,50 m ± 0,02 m voor het polsstokhoogspringen zijn. De lat mag niet zwaarder zijn dan 2 kg voor het hoogspringen en 2,25 kg voor het polsstokhoogspringen. De diameter van het in doorsnede ronde deel van de lat moet 30 mm ± 1 mm zijn.

De lat moet uit drie delen bestaan: de ronde lat en twee uiteinden, elk 30 mm tot 35 mm breed en 0,15 m tot 0,20 m lang, die zijn aangebracht om de lat op de steunen te laten rusten.

De uiteinden moeten een ronde of halfronde doorsnede hebben, met een duidelijk plat vlak waarmee de lat op de steunen rust. Dit platte vlak mag niet boven het midden van de verticale doorsnede van de lat liggen. De uiteinden moeten hard en glad zijn. Ze mogen niet van rubber zijn, of bekleed met rubber of enig ander materiaal dat de wrijving tussen uiteinden en steunen kan vergroten.

De lat mag op geen enkele wijze uitbuigen en mag, als hij op de steunen ligt, bij het hoogspringen maximaal 20 mm en bij het polsstokhoogspringen maximaal 30 mm doorbuigen.

Controle van de doorbuiging: een aan het midden van de lat bevestigd gewicht van 3 kg mag bij het hoogspringen een maximale doorbuiging van 0,07 m veroorzaken en bij het polsstokhoogspringen 0,11 m.

Plaatsing

26.8

Als twee of meer atleten dezelfde eindhoogte hebben gehaald, dan moet de volgende procedure worden gevolgd om de plaats van iedere atleet vast te stellen:

26.8.1

De atleet met het geringste aantal sprongen op de laatst gehaalde hoogte krijgt de hoogste plaats toegewezen.

26.8.2

Als door toepassing van regel TR26.8.1 er nog steeds een gelijke stand is, krijgt de atleet met het geringste aantal foutsprongen over de gehele wedstrijd tot en met de laatst gehaalde hoogte, de hoogste plaats toegewezen.

26.8.3

Als door toepassing van regel TR26.8.2 er nog steeds een gelijke stand is, dan krijgen de desbetreffende atleten dezelfde plaats toegewezen, tenzij het gaat om de eerste plaats.

26.8.4

Als het om de eerste plaats gaat moet er, in overeenstemming met regel TR26.9, door deze atleten barrage gesprongen worden, tenzij anders is besloten. Dit besluit kan zijn genomen voorafgaande aan de wedstrijd in de wedstrijdbepalingen, of tijdens de wedstrijd (maar voor de aanvang van het onderdeel) door de Technisch Gedelegeerde(n) of door de scheidsrechter als er geen Technisch Gedelegeerde is benoemd. Als er geen barrage wordt gesprongen, ook in het geval de desbetreffende atleten op enig moment besluiten om niet verder te springen, dan blijft de gelijke stand gehandhaafd.

Opmerking

Het bepaalde in regel TR26.8.4 is niet van toepassing op meerkampen.

Groene tekst

Er zijn een aantal manieren waarop een barrage geannuleerd of beëindigd kan worden:
a. vooraf aangegeven in de wedstrijdbepalingen;
b. door een beslissing van de Technisch Gedelegeerde (of scheidsrechter als er geen Technisch Gedelegeerde is) tijdens de wedstrijd;
c. door een beslissing van de atleten om niet verder te springen voor of bij een bepaalde hoogte tijdens de barrage.
Hoewel elke beslissing door de Technisch Gedelegeerde of scheidsrechter om geen barrage te houden, zou moeten worden genomen voor aanvang van het onderdeel, kunnen er omstandigheden zijn waarbij dit niet mogelijk is, zoals wanneer de toestand van het wedstrijdterrein ter plaatse, het niet mogelijk of onwenselijk maakt om te beginnen of door te gaan met de barrage. De scheidsrechter kan zijn bevoegdheid volgens regel WR18 of regel TR25 gebruiken om in deze situatie te beslissen. Er wordt met nadruk op gewezen dat atleten de beslissing om niet verder te springen zowel vooraf als gedurende iedere fase van het barragespringen kunnen nemen.

Barrage springen

26.9

Barrage springen, als volgt:

26.9.1

De betrokken atleten moeten op alle hoogten springen, totdat een beslissing is bereikt of tot het moment dat alle betrokken atleten besluiten om niet meer te springen.

26.9.2

Iedere atleet krijgt op iedere hoogte slechts één sprong.

26.9.3

De barrage begint op de hoogte die in overeenstemming met regel TR26.1, volgt op de laatste hoogte die door de desbetreffende atleten is gehaald.

26.9.4

Als dit niet tot een beslissing leidt, wordt de lat bij het hoogspringen 0,02 m en bij het polsstokhoogspringen 0,05 m hoger gelegd als twee of meer van de atleten die in de barrage springen deze hoogte hebben gehaald, of 0,02 m resp. 0,05 m lager als geen van de atleten deze hoogte hebben gehaald.

26.9.5

Als op enige hoogte een atleet niet springt, dan verspeelt hij automatisch het recht op een hogere plaats. Als er in dat geval slechts een atleet overblijft, dan wordt hij uitgeroepen tot winnaar onafhankelijk van het feit, of hij op die hoogte een poging heeft gedaan of niet.

Voorbeeld uitslag hoogspringen met barrage

Vóór de wedstrijd heeft de chef van het juryteam de volgende aanvangs- en vervolghoogten aangekondigd:

1,75 - 1,80 - 1,84 - 1,88 - 1,91 - 1,94 - 1,97 - 1,99 - enz.

Atleet1,751,801,841,881,911,941,97Foutsprongen1,91 (Barrage)1,89 (Barrage)1,91 (Barrage)Plaats
AOXOOXOX-XX2XOX2
B-XO-XO--XXX2XOO1
C-OXOXO--XXX2XX3
D-XOXOXOXXX34

A, B, C en D hebben allen de hoogte van 1,88 m gehaald.

De bepalingen van de regels TR26.8 en TR26.9 moeten nu toegepast worden; alle vier de atleten hebben hetzelfde aantal sprongen op de laatst behaalde hoogte.

Nu telt de jury het totale aantal foutsprongen op tot en met de laatst gehaalde hoogte, in dit geval 1,88 m.

D heeft meer foutsprongen dan A, B en C en wordt dus vierde. A, B en C staan nog steeds gelijk en omdat het om de eerste plaats gaat krijgen zij nog een poging over 1,91 m, de hoogte volgend op de laatste hoogte die door de drie atleten is gehaald.

Omdat alle drie de atleten op deze hoogte faalden, wordt de hoogte verlaagd tot 1,89 m, waarop zij één keer mogen springen. Alleen C faalde op 1,89 m, dus krijgen A en B nog één poging op 1,91 m die alleen door B gehaald werd, zodat die de winnaar wordt.

Groene tekst

Als een atleet eenzijdig beslist zich terug te trekken voor een barrage zal de andere atleet (als er nog één over is) tot winnaar worden verklaard volgens regel TR26.9.5. Het is niet nodig dat die atleet op de voorliggende hoogte een poging waagt. Als er meer dan een overblijvende atleet is voor de barrage gaat de barrage door met die atleten. De atleet die zich terugtrok wordt geklasseerd op de plaats waarop hij dan staat omdat hij afgezien heeft van het recht om een hogere plaats, inclusief de eerste, te verdienen.

Invloeden van buitenaf

26.10

Als het duidelijk is dat de lat buiten toedoen van de atleet is verplaatst (bijvoorbeeld door een windvlaag), dan geldt het volgende:

26.10.1

als de verplaatsing gebeurt nadat de atleet op reglementaire wijze over de lat is gegaan zonder deze aan te raken, moet de poging als geslaagd worden beschouwd;

26.10.2

als een dergelijke verplaatsing gebeurt onder enige andere omstandigheid, moet een vervangende poging worden toegekend.

27 Hoogspringen

Wedstrijd

27.1

Een atleet moet met één voet afzetten.

27.2

De poging van een atleet is mislukt als:

27.2.1

door het springen van de atleet de lat na de sprong niet op de steunen blijft liggen, of

27.2.2

hij met enig deel van zijn lichaam de grond of de mat raakt voorbij het denkbeeldige verticale vlak door de aanloopzijde van de lat, hetzij tussen dan wel buiten de staanders, zonder eerst over de lat te zijn gegaan. Echter, als een atleet bij het springen met zijn voet de landingsmat aanraakt en hij heeft daarvan volgens de jury geen voordeel ondervonden, moet de sprong om deze reden niet als ongeldig te worden aangemerkt.

Opmerking

Voor een goede toepassing van deze regel, moet er een witte lijn van 0,05 m breedte (normaal gesproken van kleefband of dergelijk materiaal) getrokken worden tussen de punten die 3 m aan de buitenkant van iedere staander liggen, waarbij de aanloopzijde van de lijn getrokken wordt door het denkbeeldige verticale vlak door de aanloopzijde van de lat.

27.2.3

hij de lat of het verticale deel van de staanders raakt tijdens de aanloop zonder dat daarbij een sprong volgt.

Aanloop- en afzetgebied

27.3

De minimale breedte van de aanloop moet 16 m en de minimale lengte moet 15 m zijn behalve bij wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (a), (b), (c), (d) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition waar de lengte tenminste 25 m moet zijn.

27.4

De maximale neerwaartse helling van het aanloop- en afzetgebied mag over de laatste 15 meter niet meer zijn dan 1:167 (0,6%) langs iedere straal van de halve cirkel, waarvan het middelpunt midden tussen de staanders ligt en waarvan de straal minimaal overeenkomt met de specificatie in regel TR27.3. De landingsmat moet zo worden geplaatst dat in oplopende richting van de helling wordt aangelopen.

Opmerking

Aanlopen en afzetgebieden die voldoen aan de specificaties van 2018/2019 blijven aanvaardbaar.

27.5

Het afzetgebied moet vlak zijn, of een eventueel aanwezige helling moet voldoen aan de eisen in regel TR27.4 en in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual".

Hoogspringinstallatie

27.6

Alle soorten staanders mogen worden gebruikt mits ze onbuigzaam zijn.

De steunen om de lat op te leggen moeten stevig aan de staanders bevestigd zijn.

De staanders moeten minstens 0,10 m langer zijn dan de feitelijk gemeten hoogte van de lat.

De afstand tussen de staanders mag niet minder dan 4,00 m en niet meer dan 4,04 m zijn.

27.7

De plaats van de staanders mag gedurende de wedstrijd niet veranderd worden tenzij de scheidsrechter heeft vastgesteld, dat het afzet- of landingsgebied onbruikbaar is geworden.

In dit geval mag de plaats pas aan het einde van een ronde veranderd worden.

27.8

De oplegsteunen moeten vlak en rechthoekig zijn, 40 mm breed en 60 mm lang. Ze moeten stevig aan de staanders zijn bevestigd en moeten naar elkaar wijzen; tijdens de sprong moeten zij onbeweeglijk zijn. Het uiteinde van de lat moet er zo op rusten, dat als een atleet de lat raakt, deze zowel voorwaarts als achterwaarts gemakkelijk naar beneden valt. Het oppervlak van de oplegsteunen moet glad zijn.

De oplegsteunen mogen niet van rubber zijn, of bekleed met rubber of met enig ander materiaal, dat de wrijving tussen de oplegsteunen en de uiteinden van de lat kan vergroten en zij mogen niet voorzien zijn van veren of dergelijke.

Beide oplegsteunen moeten zich op dezelfde hoogte boven het aanloopvlak bevinden.

27.9

Er moet een ruimte van tenminste 10 mm zijn tussen de uiteinden van de lat en de staanders.

Fig. TR27 - Staanders en lat bij het hoogspringen

Fig. TR27 - Staanders en lat bij het hoogspringen

Landingsmat

27.10

Voor wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (a), (b), (c), (d) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition mag de oppervlakte van de landingszone niet kleiner zijn dan 6 m (lengte) x 4 m (breedte) x 0,7 m (hoogte).

Opmerking

Het ontwerp moet bij voorkeur zodanig zijn dat de ruimte tussen staanders en de landingsmat tenminste 0,10 m is. Dit om te voorkomen dat de lat wordt verplaatst wanneer door een beweging van de landingsmat de staanders worden geraakt. De voorkant van de landingsmat zou zich op 0,10 m achter het verticale vlak van de lat moeten bevinden.

Groene tekst

Voor andere wedstrijden zou de landingsmat niet minder dan 5 m (lengte) x 3 m (breedte) x 0.7 m (hoogte) moeten zijn.

► NED

Aanbevolen aanvangs- en vervolghoogten

27.11

Aanvangshoogten (in m)
U18 vrouwen: 1,10 / U18 mannen: 1,20
U20 vrouwen: 1,20 / U20 mannen: 1,30
De organiserende vereniging moet in de wedstrijdaankondiging de aanvangs- en vervolghoogten aangeven. Bij kampioenschappen worden de aanvangs- en vervolghoogten door de Technisch Gedelegeerde van de Atletiekunie vastgesteld.

Groene tekst/Juryteam

Voor een juryteam hoogspringen is de volgende juryindeling aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel en bevestigt de metingen. Hij moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Hij moet een zodanige positie kiezen dat hij in het bijzondere twee zaken goed kan aansturen:
i Het gebeurt vaak dat de lat trilt na geraakt te zijn door de atleet. De chef moet, al naar gelang de positie van de lat beslissen wanneer dat trillen moet worden gestopt en de betreffende vlag moet worden geheven, vooral bij situaties als beschreven in regel TR26.10.
ii Omdat de atleet de lat, het verticale deel van de staanders en de grond voorbij het vlak, gevormd door de voorkant van de lat en de staanders niet mag raken, is het belangrijk goed op de positie van de voeten van de atleet te letten in situaties waarin deze besluit niet te springen na de aanloop en hij naast of onder de lat doorloopt.
b. Twee juryleden aan elke kant van de landingsmat, enigszins weg van de lat met als taak de lat weer op te leggen als deze gevallen is en de chef te helpen bij het toepassen van de hiervoor vermelde regels.
c. Jurylid dat de resultaten noteert en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
d. Jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
e. Jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor een poging.
f. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst als in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.
(iii) Er moet plaats worden gereserveerd voor een windvaan om de windrichting en -sterkte te tonen.

28 Polsstokhoogspringen

Wedstrijd

28.1

Atleten mogen de lat uitsluitend in de richting van de landingsmat laten verplaatsen, waarbij de kant van de lat die zich het dichtst bij de atleet bevindt op ieder punt tussen de achterkant van de insteekbak en een punt dat zich 0,80 m in de richting van de landingsmat bevindt, geplaatst mag worden.

Een atleet moet voor het begin van de wedstrijd aan de jury meedelen waar hij de staanders voor zijn eerste poging wil hebben. Deze positie moet op het juryformulier worden genoteerd.

Als een atleet vervolgens hierin wijzigingen wil aanbrengen, moet hij dat direct aan het verantwoordelijke jurylid meedelen, voordat de staanders zijn geplaatst volgens zijn oorspronkelijke wens.

Nadat de tijd voor de poging is gestart, mag de positie van de staanders niet meer veranderd worden.

Opmerking

Ter hoogte van de achterkant van de insteekbak moet, loodrecht op de as van de aanloop, een 10 mm brede lijn in een opvallende kleur worden getrokken (de "nullijn"). Een dergelijke lijn, tot aan 50 mm breed, moet ook over de landingsmat lopen en moet worden verlengd tot de buitenkant van de staanders. De rand van deze lijn die het dichtst bij de aanlopende atleet ligt, moet in hetzelfde verticale vlak liggen als de achterkant van de insteekbak.

Groene tekst

Bij opeenvolgende pogingen zou de jury de atleet moeten vragen of hij de positie van de staanders zou willen veranderen, voordat de tijd voor zijn volgende poging wordt gestart.

28.2

De poging van een atleet is mislukt als:

28.2.1

door het springen van de atleet na de sprong de lat niet op beide pennen blijft liggen, of

28.2.2

de atleet met enig deel van zijn lichaam of met de polsstok de grond of het landingsgebied raakt voorbij het denkbeeldige verticale vlak door de achterkant van de insteekbak zonder dat de atleet eerst over de lat is gegaan, of

28.2.3

de atleet na de grond te hebben verlaten, de onderste hand boven de bovenste plaatst of de bovenste hand hoger aan de polsstok plaatst, of

28.2.4

de atleet tijdens de sprong met zijn hand(en) de lat stabiliseert of teruglegt op de pennen.

Opmerking (i)

Als de atleet bij zijn aanloop op enig punt buiten de witte lijnen loopt die de aanloop markeren, wordt dat niet als fout aangerekend.

Opmerking (ii)

Als de polsstok het landingsgebied raakt nadat deze tijdens een poging op correcte wijze in de insteekbak was geplaatst, wordt dat niet als fout aangerekend.

Groene tekst

Het volgende hoort in acht genomen te worden bij de toepassing en interpretatie van regel TR28.2:
a. De lat moet afgeworpen worden door de atleet 'tijdens de poging'. Als de atleet dus na een correcte poging (waarbij regel TR28.4 niet is overtreden) de lat of de staanders raakt met de polsstok waardoor de lat valt, leidt dit niet tot een foutpoging want het is niet veroorzaakt door de atleet "tijdens de poging", tenzij de lat nog steeds bewoog en daardoor de jury nog geen witte vlag had geheven.
b. Rekening houden met het effect van opmerking (ii) omdat er veel oorzaken zijn waarbij de polsstok bij het buigen de mat voorbij de nullijn raakt.
c. Om bewust te zijn van de mogelijkheid dat de atleet zodanig afzet, dat zijn lichaam of de gebogen stok door het verticale vlak van de nullijn gaat maar daarna op de aanloop terugkomt zonder te proberen over de lat te gaan. Als er genoeg tijd is voor zijn poging en hij niet de grond na de nullijn heeft geraakt, mag hij verder gaan met zijn poging. Dit geldt ook in die gevallen waarbij de atleet in de tijd die hij voor zijn poging beschikbaar heeft om welke reden dan ook de polsstok in de insteekbak plaatst, of anderszins voorbij het vlak door de nullijn gaat en de polsstok de grond raakt voorbij de nullijn, dan is dit een foutpoging.
d. Juryleden moeten in het bijzonder opletten dat er zich geen verboden actie volgens regel TR28.2.4 voordoet. Niet alleen betekent het, dat het daarvoor aangewezen jurylid continu moet blijven kijken naar de atleet tijdens de poging, maar hij moet ook beslissen dat zo'n actie niet slechts een incidenteel raken is als de atleet over de lat gaat. In het algemeen geldt, dat regel TR28.2.4 toegepast wordt als er een directe actie is door de atleet om de lat te stabiliseren of op de pennen terug te leggen.
e. In de praktijk gaan atleten na hun (geldige of ongeldige) poging vaak terug naar de insteekbak. Zij plaatsen dan hun polsstok in de insteekbak om de plaats waar zij zich afgezet hebben te controleren. Dit is toegestaan op voorwaarde dat dit gebeurt nadat de poging is afgrond in overeenstemming met regel TR25.8 en vóórdat de tijd voor de volgende atleet wordt gestart en ook het verloop van de wedstrijd niet vertraagt.

28.3

Om een beter houvast te krijgen is het de atleten tijdens de wedstrijd toegestaan een substantie op hun handen of op de polsstok aan te brengen. Het gebruik van handschoenen is toegestaan.

Groene tekst

Hoewel het niet verboden is om handschoenen te dragen of een toegestane substantie op de handschoenen te gebruiken, hoort de scheidsrechter dit goed te volgen voor het geval de uitvoering hiervan reden tot bezorgdheid over en vermoeden van oneerlijke assistentie bestaat.

28.4

Nadat de polsstok is losgelaten, mag niemand, ook de atleet niet, de polsstok aanraken tenzij deze van de lat of staanders wegvalt. Als dat toch gebeurt en de scheidsrechter is van mening dat de lat zou zijn afgeworpen als er niet zou zijn ingegrepen, dan zal de poging als fout worden aangemerkt.

Groene tekst

Dit is een van de weinige regels waar het gedrag van een jurylid kan resulteren in een foutpoging. Het is daarom belangrijk dat de juryleden bij de staanders heel zeker weten dat zij de polsstok niet aanraken of vangen, behalve als deze duidelijk van de lat en / of de staanders afvalt.

28.5

Als tijdens een poging de polsstok van een atleet breekt, zal deze poging niet als mislukt worden beschouwd en krijgt hij een vervangende poging toegewezen.

Aanloop

28.6

De minimumlengte van de aanloop, gemeten vanaf de "nullijn" moet 40 m zijn en als de omstandigheden dit toelaten 45 m. De breedte moet 1,22 m ± 0,01 m zijn. De aanloop moet worden afgebakend door witte lijnen van 50 mm breed.

Opmerking

Op alle atletiekbanen die voor 1 mei 2004 zijn aangelegd, mag de aanloop een maximale breedte hebben van 1,25 m. Echter, zodra de aanloop een nieuw oppervlak krijgt, moet de breedte voldoen aan deze regel.

28.7

De zijdelingse helling van de aanloop mag niet meer dan 1:100 (1%), tenzij er zich speciale omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat WA een uitzondering toestaat. De totale neerwaartse helling in de looprichting mag over de laatste 40 m van de aanloop niet meer dan 1:1 000 (0,1%) zijn, tenzij er zich speciale omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat World Athletics een uitzondering toestaat.

Polsstokhoog installatie

28.8

De afzet bij het polsstokhoogspringen moet gebeuren vanuit een insteekbak. De insteekbak moet uit een daarvoor geschikt materiaal gemaakt zijn, moet aan de bovenkant afgeronde of zachte hoeken hebben en moet zijn ingegraven tot het niveau van de aanloop, waarbij het kunststof al of niet over de bovenrand van de insteekbak mag zijn gelegd. In dat geval moeten de afmetingen van de kunststof vallen binnen de toleranties voor de hoogte van de insteekbak.

De insteekbak moet 1,00 m lang zijn, gemeten langs de binnenkant van de bodem van de bak, 0,60 m breed aan de voorkant en hij moet op de bodem aan de achterkant schuin aflopen tot 0,15 m breed. De lengte van de bak op aanloopniveau, evenals de hoogte van de achterkant, worden bepaald door de hoek, gevormd door de bodem en de achterkant van de bak. Deze hoek bedraagt 105° (toleranties op de afmetingen en de hoeken ± 0,01 m en -0° / +1°).

De bodem van de bak helt af vanaf het aanloopniveau tot een diepte van 0,20 m op het punt waar hij de achterkant raakt. De bak moet zodanig worden vervaardigd, dat de zijkanten naar buiten hellen onder een hoek, die bij de achterkant ongeveer 120° bedraagt.

Opmerking

Voor extra veiligheid tijdens zijn pogingen mag een atleet een bescherming rond de insteekbak aanbrengen. Die bescherming moet worden aangebracht binnen de tijd die de atleet voor zijn poging heeft en moet direct nadat hij zijn poging heeft voltooid, door hem worden weggehaald. Bij wedstrijden volgens paragrafen 1. (a), (b), (c), (d) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition moet de organisator dit beschikbaar stellen.

Fig. (a) TR28 - Insteekbak polsstokhoogspringen

Fig. (a) TR28 - Insteekbak polsstokhoogspringen / (alle afmetingen in m)

28.9

Alle soorten staanders mogen worden gebruikt mits zij onbuigzaam zijn. De metalen voet en het onderste gedeelte van de staanders dat zich boven de landingsmat bevindt, moeten ter bescherming van de atleet en de polsstok bekleed zijn met een daarvoor geschikt materiaal.

28.10

De lat moet zodanig op de horizontale pennen rusten dat hij, indien de lat door een atleet of door de polsstok wordt aangeraakt, gemakkelijk in de richting van de landingsmat kan vallen. In de pennen mogen geen inkepingen of groeven zijn aangebracht. Ze moeten overal even dik zijn met een maximum diameter van 13 mm.

Ze mogen niet meer dan 55 mm buiten de oplegsteunen, die glad moeten zijn, uitsteken. De verticale oplegsteunen, waaraan de pennen zijn bevestigd, moeten ook glad zijn en moeten op een zodanige manier zijn geconstrueerd dat de lat er niet bovenop kan blijven liggen. Zij moeten 35 tot 40 mm boven de pennen uitsteken.

De afstand tussen de pennen mag niet minder dan 4,28 m en niet meer dan 4,37 m zijn. De pennen mogen niet van rubber zijn en ze mogen ook niet bekleed zijn met rubber of met enig ander materiaal, dat de wrijving tussen de pennen en het uiteinde van de lat kan vergroten en zij mogen niet zijn voorzien van veren of dergelijke. De pennen moeten de lat in het midden van de eindstukken ondersteunen. Beide oplegsteunen moeten op gelijke hoogte staan boven het oppervlak waarop de twee metalen grondstukken van de staanders zijn aangebracht.

Opmerking

Om de kans te verminderen dat een atleet zich blesseert, doordat hij bij het neerkomen op de voet van de staanders terechtkomt, mogen de pennen waarop de lat rust, geplaatst worden op steunen, die vast aan de staanders bevestigd zijn. Daardoor kunnen de staanders verder van elkaar worden geplaatst, zonder dat hiervoor de lat langer moet worden (zie figuur (b) TR28).

Fig. (b) TR28 - Oplegsteun voor de lat

Fig. (b) TR28 - Oplegsteun voor de lat / (alle afmetingen in mm)

Polsstokken

28.11

Atleten mogen hun eigen polsstok gebruiken. Het is atleten niet toegestaan de polsstok van een andere atleet te gebruiken, behalve als de eigenaar hiermee instemt.

Opmerking

Als een atleet deze regel overtreedt dan moeten de juryleden, zodra zij dit merken, de atleet opdracht geven dit te herstellen. Als hij dit niet doet dan moet de poging als ongeldig worden beschouwd. De poging is ook ongeldig als de poging is voltooid, voordat de afwijking van deze regel is vastgesteld. In alle gevallen waarbij de overtreding ernstig genoeg is, kunnen ook regels TR7.1 en TR7.3 worden toegepast.

De polsstok mag van elk soort materiaal of van een combinatie van materialen zijn vervaardigd en mag elke lengte of diameter hebben, maar de buitenkant moet glad zijn.

Op de polsstok mogen (om de hand te beschermen) ter hoogte van de greep lagen tape en aan de onderkant (om de polsstok te beschermen) tape en / of ieder ander geschikt materiaal zijn aangebracht. De tape bij de greep moet gelijkmatig zijn aangebracht, behalve op die plaatsen waar de lagen tape elkaar overlappen, maar dit mag niet leiden tot een plotselinge verandering in diameter bijv. om zo een "ring" om de polsstok te maken.

Groene tekst

Alleen een regelmatig gewonden tape in overeenstemming met het regel is bij de greep toegestaan - ringen, lussen en wat daar op lijkt zijn niet toegestaan. Er is geen beperking in hoever een dergelijke tape moet doorlopen maar het moet dienstbaar zijn voor het doel - de hand beschermen. Er is echter geen beperking aan de onderkant van de polsstok en in het algemeen is elke vorm van tapen toegestaan mits het de atleet geen enkel voordeel geeft.

Landingsmat

28.12

Voor wedstrijden volgens paragrafen 1. (a), (b), (c), (d) en 2. (a), (b) van de definitie van de World Rankings Competition moet de oppervlakte van de landingsmat (achter de nullijn en zonder de voorstukken) tenminste 6 m lang x 6 m breed x 0,8 m hoog zijn. De voorstukken moeten tenminste 2 m lang zijn.

De zijden van de landingsmat die zich het dichtst bij de insteekbak bevinden, moeten 0,10 m tot 0,15 m van de insteekbak worden geplaatst en moeten er onder een hoek van ten minste 45° en niet meer dan 48° schuin van weglopen (zie figuur (c) regel TR28).

Fig. (c) TR28 - Landingsmat polsstokhoogspringen

Fig. (c) TR28 - Landingsmat polsstokhoogspringen

Groene tekst/Juryteam

Voor een juryteam polsstokhoogspringen is de volgende juryindeling aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel en bevestigt de metingen. Hij moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Hij moet een zodanige positie kiezen dat hij twee zaken goed kan aansturen:
i Het gebeurt vaak dat de lat trilt na geraakt te zijn door de atleet. De chef moet, al naar gelang de positie van de lat beslissen wanneer dat trillen moet worden gestopt en de betreffende vlag moet worden geheven, vooral bij situaties als beschreven in de regels TR26.10 en TR28.4.
ii Vanaf het moment voor de afzet mag de atleet de grond niet raken voorbij het verticale vlak dat begint aan de binnenkant van de achterkant aan de bovenzijde van de insteekbak. Het jurylid moet een zodanige positie innemen dat hij in staat is dit goed vast te stellen.
b. Twee juryleden aan elke kant van de nullijn met als taak de lat weer op te leggen als deze gevallen is en de chef te helpen bij het toepassen van de hiervoor vermelde regels. Zij zijn ook verantwoordelijk voor de juiste positionering van de lat zoals de secretaris hen heeft aangegeven conform de wens van de atleet.
c. Jurylid dat de gevraagde positie van de lat en de resultaten noteert, de positie van de lat bekend maakt en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
d. Jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
e. Jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor een poging.
f. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst als in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.
(iii) Er moet plaats worden gereserveerd voor een windvaan om de windrichting en -sterkte te tonen.

Horizontale springonderdelen

29 Algemene bepalingen - horizontale springonderdelen

Aanloop

29.1

De lengte van de aanloop moet tenminste 40 m en waar de omstandigheden dat toestaan 45 m zijn, gemeten vanaf de afzetlijn tot aan het begin van de aanloop. De breedte tussen de belijning moet 1,22 m (± 0,01) m zijn. De aanloop moet worden afgebakend door witte lijnen van 50 mm breed.

Opmerking

Op alle atletiekbanen die voor 1 mei 2004 zijn aangelegd, mag de aanloop een maximale breedte hebben van 1,25 m. Echter, zodra de aanloop een nieuw oppervlak krijgt, moet de breedte voldoen aan deze regel.

► NED

Van atletiekaccommodaties waar de aanloop 1,24 -1,25 m breed is zal tot aan de eerstvolgende vervanging van de belijning, de aanloop niet worden afgekeurd. Na de vervanging van de belijning moet de breedte van de aanloop 1,22 m (± 0,01 m) zijn.

29.2

Tenzij er zich speciale omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat World Athletics een uitzondering toestaat, mag de zijdelingse helling van de aanloop mag niet meer dan 1:100 (1%) zijn. De totale neerwaartse helling in de looprichting mag over de laatste 40 m van de aanloop niet meer dan 1:1 000 (0,1%) zijn.

Afzetbalk

29.3

De afzet moet worden gemarkeerd door een verzonken balk, waarvan het oppervlak even hoog ligt als de aanloop en het zand in de landingsbak. De rand van de balk, die het dichtst bij de landingsbak ligt moet als "afzetlijn" worden beschouwd.

29.4

De afzetbalk moet rechthoekig zijn en van hout of van ander stevig materiaal zijn gemaakt, waarop de spikes van de schoen van een atleet grip hebben en niet op wegglijden en waarvan de afmetingen 1,22 m ± 0,01 m lang, 0,200 m ± 0,002 m breed en niet meer dan 0,10 m dik moeten zijn. De afzetbalk moet wit zijn. Om zeker te stellen dat de afzetlijn duidelijk herkenbaar en in contrast met de afzetbalk is, mag het oppervlak direct voorbij de afzetlijn niet wit zijn. (Zie figuur (a1) TR 29).

29.5

Om de juryleden te helpen beslissen bij de toepassing van regel TR30.1.1, moet voor wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (a) en (b) van de definitie van de World Rankings Competitition, video technologie worden gebruikt die 120 beeldjes per seconde kan opnemen met een minimale resolutie van 4K. Voor andere wedstrijden wordt een dergelijke technologie sterk aanbevolen, maar ander systemen mogen ook worden gebruik als bovenstaande technologie beperkt beschikbaar is. Als er echter geen geschikte technologie beschikbaar is, kan nog steeds een plasticinebalk worden gebruikt.

De plasticinebalk moet onbuigzaam zijn, 0,100 m ± 0,002 m breed, 1,22 m ± 0,01 m lang, en van hout of van een ander geschikt materiaal zijn gemaakt, waarvan de kleur contrasteert met de kleur van de afzetbalk. Indien mogelijk, moet de plasticine een derde contrasterende kleur hebben. De plasticinebalk moet zijn aangebracht in een uitsparing in de afzetbalk, aan de kant van de afzetbalk die het dichtst bij de landingsbak ligt. De bovenkant van de plasticinebalk moet 7 mm ± 1 mm boven de afzetbalk uitsteken. De zijkanten moeten zijn voorzien van een zodanige uitsparing, dat als hierin plasticine aangebracht wordt, het oppervlak van de plasticine dat zich het dichtst bij de afzetlijn bevindt, een hoek van 90° met de afzetbalk maakt (zie figuur (a2) TR29).

Als de plasticinebalk in de uitsparing van de afzetbalk is geplaatst, moet het geheel voldoende star zijn om de volle kracht van de afzetvoet op te kunnen vangen.

De plasticinebalk moet, ook onder de plasticine, van een zodanig materiaal zijn, dat de spikepunten er grip op hebben en er geen gevaar voor uitglijden ontstaat.

Om de voetindruk van de atleet uit de plasticine te verwijderen kan gebruik worden gemaakt van een roller of van een schraper met een voor dat doel geschikte vorm.

Opmerking (i)

Als in de constructie van de aanloop en / of afzetbalk voorheen een voorziening is aangebracht om er een plasticinebalk in te plaatsen dan moet, als de plasticinebalk niet wordt gebruikt, hierin een blinde balk worden aangebracht die vlak ligt met de afzetbalk.

Opmerking (ii)

De afzetbalk kan bestaan uit een enkele balk met een breedte van 0,30 m, waarvan 0,20 m wit is en 0,10 m een contrasterende kleur heeft, dat wil zeggen dat de afzetbalk en de blinde balk één geheel mogen zijn.

Fig. (a1 en a2) TR29 - Afzetbalk en plasticinehouder

Fig. (a1 en a2) TR29 - Afzetbalk en plasticinehouder / (alle afmetingen in mm)

► NED

Hoewel uit bovenstaande tekst enige vrijblijvendheid kan worden afgeleid, wordt dringend aanbevolen om, bij afwezigheid van een andere geschikte methode, de plasticinehouder te gebruiken. Het gebruik van de plasticinebalk voorkomt discussies met atleten over de beoordeling van een poging en kan in geval van een protest de scheidsrechter of jury d'appel ondersteunen bij het nemen van een beslissing.

Landingsbak

29.6

De landingsbak moet een breedte van minimaal 2,75 m en maximaal 3,00 m hebben. De landingsbak moet indien mogelijk zodanig zijn gelegen, dat het verlengde van het midden van de aanloop samenvalt met het midden van de landingsbak.

Opmerking

Als het midden van de aanloop en het midden van de landingsbak niet in een lijn liggen, dan moet een lint (en indien nodig twee linten) in de landingsbak worden aangebracht zodat de hiervoor beschreven situatie wordt bereikt (zie figuur (b) TR29).

Groene tekst

Als een nieuwe accommodatie wordt ontwikkeld, waarbij te voorzien valt dat deze ook gebruikt wordt door visueel gehandicapte atleten, beveelt de WPA aan om in ieder geval één verspringbak 3.50 m breed te maken in plaats van 3 m zoals World Athletics voorschrijft.

Fig. (b) TR29 - Aangepaste landingsbak verspringen / hink-stap-springen

Fig. (b) TR29 - Aangepaste landingsbak verspringen / hink-stap-springen / (alle afmetingen in m)

29.7

De landingsbak moet gevuld zijn met zacht, vochtig zand. Het oppervlak hiervan moet op dezelfde hoogte liggen als de bovenkant van de afzetbalk.

Afstandsmeting

29.8

Bij alle horizontale springonderdelen moeten de gemeten afstanden steeds worden afgerond op gehele centimeters naar beneden, als de gemeten afstand niet in gehele centimeters is.

29.9

Elke sprong moet onmiddellijk na een geldige poging worden opgemeten (of na een direct ingediend mondeling protest volgens regel TR8.5) vanaf de dichtstbijzijnde indruk van enig deel van het lichaam of van alles dat aan het lichaam was bevestigd op het moment dat de indruk in de landingsbak werd gemaakt tot aan de afzetlijn of het verlengde daarvan. De meting moet loodrecht op de afzetlijn of het verlengde daarvan worden uitgevoerd.

Groene tekst

Zolang geen onregelmatigheid is begaan moet van iedere poging de afstand worden opgemeten. Dit is ook van belang om vast te stellen bij eenzelfde beste resultaat hoe die atleten geklasseerd dienen te worden of wie van hen doorgaat naar volgende ronden.
Behalve als regel TR8.5 wordt toegepast, hoort normaal gesproken geen enkele poging opgemeten te worden indien een overtreding is begaan. Juryleden behoren heel terughoudend te zijn met het nemen van afwijkende besluiten en die alleen voor speciale gevallen te bewaren.
Tenzij videometing wordt gebruikt, hoort voor iedere geldige poging een (meestal metalen) pin verticaal te worden geplaatst op de plaats waar een atleet een indruk heeft achtergelaten die het dichtst bij de afzetbalk (0-lijn) is. Het gewaarmerkte stalen meetband moet zo worden uitgerold dat het nulpunt precies bij de pin en vooral strak en niet over een verhoging ligt.

Windmeting

29.10

De windmeter moet hetzelfde zijn zoals beschreven in de regels TR17.8 en TR17.9. De windmeter moet worden bediend zoals beschreven in de regels TR17.11 en TR29.12 en moet worden afgelezen zoals bepaald in regel TR17.13.

29.11

De betrokken scheidsrechter moet vaststellen dat de windmeter op 20 m van de afzetlijn is geplaatst. Het meetvlak moet op een hoogte van 1,22 m ± 0,05 m en niet verder dan 2 m van de aanloop zijn gepositioneerd.

29.12

De windsnelheid moet gedurende een periode van 5 seconden worden gemeten, gerekend vanaf het moment dat een atleet het merkteken passeert, dat bij het verspringen op 40 m en bij het hink-stap-springen op 35 m van de afzetlijn naast de aanloop is geplaatst. Als een atleet een kortere aanloop benut dan 40 m resp. 35 m, dan moet de windsnelheid worden gemeten vanaf het moment dat hij met zijn aanloop begint.

30 Verspringen

Wedstrijd

30.1

Een poging moet worden afgekeurd als de atleet:

30.1.1

bij het afzetten voor de sprong (vóór het moment waarop het contact met de afzetbalk of met de grond verbroken wordt), met enig deel aan de voorzijde van zijn afzetvoet of -schoen voorbij het verticale vlak door de afzetlijn gaat, hetzij bij een aanloop zonder dat een sprong volgt, hetzij bij het springen zelf, of

Opmerking

Als het verticale vlak door een los deel van de schoen (bijv. schoenveter) wordt overschreden, moet dit niet als een overtreding worden gezien.

30.1.2

naast de afzetbalk afzet, om het even of dit voor of achter het verlengde van de afzetlijn is, of

30.1.3

tijdens de aanloop of de sprong een salto mortale of duikeling maakt, of

30.1.4

na de afzet, maar voor zijn eerste contact met het zand in de landingsbak de aanloop, of de grond naast de aanloop, of de grond naast de landingsbak raakt, of

30.1.5

tijdens de landing (daarbij inbegrepen een mogelijk evenwichtsverlies) de rand van of de grond buiten de landingsbak raakt dichter bij de afzet dan de dichtstbijzijnde indruk van zijn sprong in de landingsbak, of

30.1.6

de landingsbak op een andere manier verlaat dan in regel TR30.2 is beschreven.

30.2

Als een atleet de landingsbak verlaat, moet het eerste contact dat hij met zijn voet maakt met de rand van de landingsbak of met de grond buiten de landingsbak, verder van de afzetlijn verwijderd zijn dan de dichtstbijzijnde indruk in het zand (dit kan iedere volledig binnen de landingsbak gelegen indruk zijn, die het gevolg is van evenwichtsverlies, of door het vanaf de oorspronkelijke indruk teruglopen in de richting van de afzetbalk).

Opmerking

Dit eerste contact wordt beschouwd als het verlaten van de landingsbak.

30.3

Een poging mag niet worden afgekeurd als de atleet:

30.3.1

op enig punt aanloopt buiten de witte lijnen die de aanloop markeren; of

30.3.2

met uitzondering van het gestelde in regel TR30.1.2, hij vóór de afzetbalk afzet, of

30.3.3

volgens regel TR30.1.2 met een deel van de schoen / voet vóór de afzetlijn de grond raakt naast een van de uiteinden van de afzetbalk; of

30.3.4

bij de landing met enig deel van zijn lichaam of met alles dat op dat moment aan het lichaam was bevestigd, de rand van de landingsbak of de grond buiten de landingsbak raakt, tenzij hierbij de regels TR30.1.4 of TR30.1.5 wordt overtreden; of

30.3.5

terugloopt door de landingsbak nadat de atleet op een reglementaire wijze de landingsbak verlaten heeft, zoals beschreven in regel TR30.2.

Groene tekst

Omdat regel TR30.1.1 zich volledig richt op de positie van de voorkant van de afzetvoet / -schoen, is het niet van belang als het verticale vlak op een andere manier gepasseerd wordt. Bijvoorbeeld door de handen of armen of een pet of een sieraad dat tijdens de sprong van het lichaam van de atleet valt. Ook een losse schoenveter of iets soortgelijks is niet van belang bij de beoordeling, ook niet als die door het verticale vlak gaat.

Afzetlijn / afzetvlak

30.4

De afstand tussen de afzetlijn en de achterkant van de landingsbak moet tenminste 10 m (en waar mogelijk 11 m) zijn.

30.5

De afstand tussen de afzetlijn en het begin van de landingsbak moet tussen 1 m en 3 m zijn.

Groene tekst/Juryteam

Voor een verspring- of hink-stap-onderdeel is de volgende juryindeling aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel.
b. Een jurylid dat controleert of de afzet reglementair is verlopen en die de poging opmeet. Hij moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Na het opmeten is het aan te bevelen dat dit jurylid voor de afzetbalk op de aanloop blijft staan, met de rode vlag geheven, zolang het zand wordt geëffend en, indien nodig, de plasticinebalk wordt vervangen / herplaatst. Ook kan daarnaast, of in plaats van, een pylon worden gebruikt (deze taak wordt ook wel door de chef uitgevoerd).
c. Een jurylid bij de plaats van landing om vast te stellen waar de dichtstbijzijnde plaats van landing is om daar de meetpen of het meetprisma te plaatsen en als een meetband wordt gebruikt, het nulpunt ervan op de juiste plaats te houden. Als videometing wordt toegepast is normaal gesproken dit jurylid niet nodig. Als EDM wordt toegepast zijn daarvoor twee juryleden nodig: een om het meetprisma te plaatsen en een om het resultaat op de EDM apparatuur af te lezen.
d. Een jurylid dat de resultaten noteert en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
e. Een jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
f. Een jurylid bij de windmeter die op 20 m van de afzetlijn is geplaatst.
g. Een of meer juryleden of assistenten om het zand na iedere poging te effenen.
h. Een jurylid of assistent om de plasticinebalk te repareren.
i. Een jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor een poging.
j. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst en in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.
(iii) Er moet plaats worden gereserveerd voor een windvaan om de windrichting en -sterkte te tonen.

31 Hink-stap-springen

De regels TR29 en TR30 zijn ook van toepassing op hink-stap-springen met de volgende aanvullingen:

Wedstrijd

31.1

Hink-stap-springen bestaat uit een hink, een stap en een sprong, in die volgorde uitgevoerd.

31.2

De "hink" moet zo worden uitgevoerd, dat een atleet eerst landt op dezelfde voet als waarmee hij heeft afgezet. Bij de "stap" moet hij landen op de andere voet, waarmee vervolgens voor de sprong moet worden afgezet.

Als een atleet tijdens de poging met zijn "sleepbeen" de grond raakt, zal de sprong om deze reden niet als ongeldig worden aangemerkt.

Opmerking

Regel TR30.1.4 is niet van toepassing op het neerkomen in de hink- en stapfase.

Groene tekst

Opgemerkt dient te worden dat het (alleen voor dit feit) geen foutpoging is als de atleet:
a. de witte lijnen of de grond daarbuiten raakt tussen de afzetbalk en de landingsbak; of
b. buiten zijn schuld al met de stap in de landingsbak terechtkomt (bijvoorbeeld doordat een jurylid de afzetbalk niet correct heeft geplaatst). In deze gevallen zal de scheidsrechter de atleet normaal gesproken een vervangende poging toekennen.
Het is hoe dan ook een foutpoging als de landing na de sprong niet in de landingsbak plaats vindt.

Afzetlijn

31.3

De afstand tussen de afzetlijn en de achterkant van de landingsbak moet (voor mannen) tenminste 21 m bedragen.

31.4

Afhankelijk van het niveau van de wedstrijd wordt aanbevolen om aparte afzetbalken te hebben voor mannen en voor vrouwen. De afzetlijn voor mannen moet op 13 m en voor vrouwen op 11 m liggen, gerekend vanaf het begin van de landingsbak. Voor alle andere wedstrijden is de afstand afhankelijk van het niveau van de wedstrijd.

► NED

Voor andere dan internationale wedstrijden kan de afzetbalk ook op 9 m worden gelegd, gerekend vanaf het begin van de landingsbak.

Opmerking

Zo nodig kan in plaats van een afzetbalk op de aanloop een witte strook worden aangebracht op 7 of 5 m vanaf het begin van de landingsbak. De witte strook moet dezelfde afmetingen hebben als de afzetbalk.

31.5

Tussen de afzetbalk en de landingsbak moet er een afzetvlak zijn met een breedte van 1,22 m (± 0,01 m) dat een stevige en gelijkmatige ondergrond biedt voor de hink en de stap.

Opmerking

Op alle atletiekbanen die voor 1 mei 2004 zijn aangelegd, mag de aanloop een maximale breedte hebben van 1,25 m. Echter, zodra de aanloop een nieuw oppervlak krijgt, moet de breedte voldoen aan deze regel.

► NED

Van atletiekaccommodaties waar het afzetvlak hink-stap-springen 1,24 m - 1,25 m breed is zal tot aan de eerstvolgende vervanging van de belijning, dit afzetvlak niet worden afgekeurd. Na de vervanging van de belijning moet de breedte van het afzetvlak 1,22 m (± 0,01 m) zijn.

Werponderdelen

32 Algemene bepalingen werponderdelen

Officieel werpmateriaal

32.1

Bij alle World Rankings Competition moet het gebruikte werpmateriaal voldoen aan de geldende specificaties van WA. Uitsluitend werpmateriaal dat door WA is gecertificeerd mag worden gebruikt. De volgende tabel geeft een overzicht van de gewichten van het werpmateriaal zoals dat door elke leeftijdscategorie moet worden gebruikt.

U18 vrouwenVrouwen / U20 vrouwenU18 mannenU20 mannenMannen
Kogel3,000 kg4,000 kg5,000 kg6,000 kg7,260 kg
Discus1,000 kg1,000 kg1,500 kg1,750 kg2,000 kg
Slingerkogel3,000 kg4,000 kg5,000 kg6,000 kg7,260 kg
Speer500 g600 g700 g800 g800 g
Opmerking (i)

De geldende standaardformulieren voor het aanvragen c.q. vernieuwen van de certificering van werpmateriaal evenals het document Certification System Procedures zijn te verkrijgen bij het bureau van World Athletics of kunnen worden gedownload van de website van World Athletics.

Opmerking (ii)

een lijst van aanbevolen gewichten en specificaties voor ander werpmateriaal dat gewoonlijk gebruikt wordt bij jeugd-, para- of masterwedstrijden, wordt gepubliceerd op de website van WA.

32.2

Met uitzondering van onderstaande, moet al het werpmateriaal worden verstrekt door de organisatoren. De Technisch Gedelegeerde(n) kan (kunnen), gebaseerd op de van toepassing zijnde wedstrijdbepalingen, toestaan dat atleten hun eigen persoonlijke werpmateriaal, of werpmateriaal dat door een leverancier verschaft is, gebruiken. Dit werpmateriaal moet door WA gecertificeerd zijn, het moet voor aanvang van de wedstrijd gecontroleerd en gemerkt zijn door de organisatoren en het moet door alle andere atleten gebruikt kunnen worden. Tenzij de Technisch Gedelegeerde anders beslist, mogen er door iedere atleet niet meer dan twee stuks eigen werpmateriaal worden ingebracht voor ieder werponderdeel waaraan hij deelneemt.

Opmerking

Als "door World Athletics gecertificeerde" werpmaterialen kunnen ook worden inbegrepen oudere modellen die destijds gecertificeerd waren, maar niet meer in productie zijn.

Groene tekst

Het wordt voor organisatoren steeds gebruikelijker om te zorgen voor minder werpmaterialen dan in het verleden (vooral door de aanschafkosten). Dit bemoeilijkt de verantwoordelijkheid van de Technisch Manager en diens assistenten om alle persoonlijke werpmaterialen die voor een wedstrijd worden aangeboden, goed te controleren om te verzekeren dat deze voldoen aan de regels en dat zij op de lijst van gecertificeerde producten van WA staan. Materialen die nu niet meer, maar vroeger wel op de lijst van WA voorkwamen, mogen worden geaccepteerd als zij voldoen aan de regels.

► NED

Opmerking

_Eigen wedstrijdmateriaal kan alleen met toestemming van de eigenaar door andere atleten worden gebruikt (zie ook Opmerking bij TR28.11).

32.3

Tijdens de wedstrijd mogen geen veranderingen aan het werpmateriaal worden aangebracht. Het aanbrengen van speeksel of een andere lichaamsvloeistof op het werpmateriaal is niet toegestaan.

Assistentie

32.4

Het hierna volgende moet worden beschouwd als assistentie en is daarom niet toegestaan:

32.4.1

Het met kleefband aan elkaar hechten van twee of meer vingers. Als kleefband op de handen en vingers is aangebracht, mag dit slechts uit één stuk bestaan op voorwaarde dat als twee of meer vingers met elkaar verbonden zijn, die vingers afzonderlijk van elkaar moeten kunnen bewegen. De aangebrachte kleefband moet vóór het begin van het onderdeel aan de chef van het juryteam worden getoond.

32.4.2

Het gebruik van elke voorziening, inclusief gewichten die aan het lichaam zijn bevestigd, die tijdens de uitvoering van een poging de atleet een vorm van assistentie verschaffen.

32.4.3

Het gebruik van handschoenen, behalve bij het kogelslingeren. In dat geval moeten de handschoenen zowel op de rug als aan de binnenzijde glad zijn en de vingertoppen, met uitzondering van de duimen, moeten open zijn.

32.4.4

Een atleet mag geen enkele substantie in de ring of onder zijn schoenen spuiten of strooien. Ook mag hij het oppervlak van de ring niet ruw maken.

Opmerking

het door een atleet aanbrengen van tape aan de buitenkant van de werpschoen is toegestaan; zie ook Athletics Shoe Regulations. Elke hier bedoelde aanpassing dient voor de eerste (of volgende) poging van de atleet aan de chef juryteam te worden getoond.

32.4.5

Het aanbrengen van speeksel of een andere lichaamsvloeistof op het werpmateriaal is niet toegestaan.

32.4.6

Het door een atleet bij het speerwerpen aanbrengen van talkpoeder of een dergelijke substantie op de speer.

Opmerking:

Zodra de juryleden dit opmerken, moeten zij de atleet die in strijd met deze regel handelt aanwijzing geven om de situatie te corrigeren. Als de atleet dat niet doet dan moeten zulke poging(en) ongeldig worden verklaard. Het is ook een foutpoging als de poging is voltooid voordat de overtreding wordt opgemerkt. In gevallen die als ernstig genoeg worden beschouwd, kan ook regel TR7.1 en TR7.3 worden toegepast.

32.5

Het hierna volgende moet niet worden beschouwd als assistentie en is daarom toegestaan:

32.5.1

Om een beter houvast te hebben, is het atleten toegestaan alleen op de handen, of bij het kogelslingeren op de handschoenen, een daarvoor geëigende substantie te gebruiken. Een kogelstoter mag een dergelijke substantie in zijn hals aanbrengen.

32.5.2

Bij het kogelstoten en discuswerpen mogen atleten krijt of een vergelijkbare substantie op het werpmateriaal aanbrengen.

Alle substanties die op de handen, op de handschoenen en op het werpmateriaal worden aangebracht moeten met een vochtige doek makkelijk van het werpmateriaal te verwijderen zijn en er mogen geen restanten van achterblijven. Als dit niet wordt opgevolgd, dan moet de opmerking bij regel TR32.4 worden toegepast.

32.5.3

Het gebruik van tape op handen of vingers, indien dit niet in tegenspraak is met regel TR32.4.1.

Ring

32.6

De rand van de ring moet zijn gemaakt van bandijzer, staal of ander geschikt materiaal. De bovenkant van de rand moet gelijk liggen met het oppervlak van de omliggende grond. De rand moet minstens 6 mm dik zijn. De binnenkant en de bovenkant van de rand moet wit zijn. De omliggende grond mag bestaan uit beton, kunststof, asfalt, hout of een ander hiervoor geschikt materiaal.

Het vlak van de ring mag uit beton, asfalt of ander vormvast stroef materiaal bestaan. Dit vlak moet horizontaal zijn en 20 mm ± 6 mm lager liggen dan de bovenkant van de rand van de ring.

Voor het kogelstoten is het toegestaan een verplaatsbare ring te gebruiken, die voldoet aan bovenstaande specificaties.

32.7

De diameter van de ring is binnenwerks 2,135 m ± 0,005 m bij het kogelstoten en kogelslingeren en 2,500 m ± 0,005 m bij het discuswerpen.

De slingerkogel mag worden geslingerd vanuit een discusring, mits de diameter van de ring door het plaatsen van een binnenring is verkleind van 2,500 m naar 2,135 m.

Opmerking

de binnenring zou bij voorkeur een andere kleur dan wit moeten hebben, zodat de witte lijnen als bedoeld in regel TR32.8 duidelijk zichtbaar zijn.

32.8

Een 50 mm brede witte lijn moet over een lengte van tenminste 0,75 m aan weerszijden van de ring worden getrokken. De witte lijn mag geverfd zijn of gemaakt zijn van hout of een ander geschikt materiaal. De achterzijde van deze lijn is een verlenging van een theoretische lijn door het middelpunt van de ring loodrecht op de middellijn van de werpsector.

Fig. (a) TR32 - Ring voor kogelstoten

Fig. (a) TR32 - Ring voor kogelstoten / (alle afmetingen in m)

Fig. (b) TR32 - Ring voor discuswerpen

Fig. (b) TR32 - Ring voor discuswerpen / (alle afmetingen in m)

Fig. (c) TR 32 - Ring voor kogelslingeren

Fig. (c) TR 32 - Ring voor kogelslingeren / (alle afmetingen in m)

Fig. (d) TR32 - Ring voor discuswerpen en kogelslingeren

Fig. (d) TR32 - Ring voor discuswerpen en kogelslingeren / (alle afmetingen in m)

Aanloop speerwerpen

32.9

Bij het speerwerpen moet de minimale lengte van de aanloop 30 m zijn, behalve voor wedstrijden volgens paragrafen 1. (a), (b), (c), (d) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition waar de minimale lengte 33,50 m moet zijn. Als de omstandigheden dit toelaten, zou de minimale lengte 36,50 m moeten zijn.

De aanloop moet worden afgebakend door twee evenwijdige, witte lijnen van 50 mm breed met een tussenruimte van 4 m. De worp moet geschieden vanachter een afwerpboog met een straal van 8 m. De afwerpboog moet bestaan uit een ten minste 70 mm brede witte streep of uit een witte houten band of een band van een geschikt materiaal dat niet aangetast kan worden, zoals plastic. De bovenkant hiervan moet wit zijn en moet gelijk liggen met de grond. Aan de uiteinden van de boog worden loodrecht op de evenwijdige lijnen die de aanloopbaan afbakenen, witte lijnen getrokken die ten minste 0,75 m lang en ten minste 70 mm breed moeten zijn. De zijdelingse helling van de aanloop mag niet meer zijn dan 1:100 (1%), tenzij er speciale omstandigheden gelden, die World Athletics rechtvaardigen een uitzondering te maken. De totale neerwaartse helling van de laatste 20 m van de aanloop mag in de looprichting niet meer dan 1:1 000 (0,1%) zijn.

Landingssector

32.10

De landingssector moet bestaan uit sintels, gras of een ander geschikt materiaal waarin het werpmateriaal een indruk achterlaat.

32.11

De totale neerwaartse helling van de sector, gemeten vanaf het niveau in het midden van de ring of het midden van de werpcirkel, mag in de werprichting niet meer dan 1:1 000 (0,1%) zijn.

32.12

Markeringen van de landingssector:

32.12.1

Behalve bij het speerwerpen, moet de sector worden afgezet met 50 mm brede witte lijnen die een hoek van 34,92° vormen, zodanig dat de verlengden van de binnenkant van deze lijnen elkaar in het middelpunt van de ring snijden.

Opmerking

De 34,92° sector kan nauwkeurig worden uitgezet door de afstand tussen de twee sectorlijnen op 20 m van het midden van de ring op 12 m ± 0,05 m (20 x 0,60 m) te bepalen. Voor iedere meter vanaf het middelpunt van de ring moet de afstand tussen de lijnen dus met 0,60 m toenemen.

32.12.2

De sector voor het speerwerpen moet worden afgezet met 50 mm brede witte lijnen, waarvan de binnenkanten gaan door de snijpunten van de binnenzijden van de afwerpboog met de lijnen die de aanloop markeren, zodanig dat de verlengde lijnen elkaar snijden in het middelpunt van de cirkel waarvan de afwerpboog deel uitmaakt (zie figuur (e) TR32). De hoek van de sector is dan 28,96°.

Groene tekst

De sector moet een vlak oppervlak hebben dat zacht genoeg is om te verzekeren dat de plaats waar het materiaal het eerst landt, goed kan worden vastgesteld door de jury. Dat oppervlak hoort niet toe te staan dat het werpmateriaal terug opspringt en zo een risico vormt dat het punt waar gemeten wordt, uitgewist wordt.

Fig. (e) TR32 - Aanloop en sector voor het speerwerpen

Fig. (e) TR32 - Aanloop en sector voor het speerwerpen / (niet op schaal, alle afmetingen in m)

Pogingen

32.13

Het kogelstoten, discuswerpen en kogelslingeren geschiedt vanuit een ring en het speerwerpen vanaf een aanloop. In het geval van pogingen vanuit een ring, moet de atleet zijn poging beginnen vanuit een stabiele houding in de ring. Een atleet mag de binnenzijde van de rand van de ring aanraken. Bij het kogelstoten mag hij ook de binnenzijde van het stootblok aanraken, zoals omschreven in regel TR33.2.

Groene tekst

Er is geen beperking in hoe, of van welke kant een atleet de ring ingaat. Ook is er bij het kogelstoten geen beperking ten aan zien van contact met het stootblok tijdens dit proces. Belangrijk is, dat hij eenmaal in de ring, een stabiele positie inneemt voordat hij met zijn poging begint.
Een stabiele positie houdt in dat een atleet, nadat hij voor zijn poging de ring is binnengegaan, hij vóór aanvang van zijn poging een houding aanneemt waarbij beide voeten tegelijk in stevig contact zijn met de grond binnen de ring, maar zonder contact met de bovenkant van de rand of de grond buiten de ring. Het contact met de grond moet lang genoeg worden aangehouden om door de juryleden beoordeeld te kunnen worden. Het is niet vereist dat de atleet zijn armen of handen of enig ander deel van zijn lichaam stil houdt.

32.14

De poging is ongeldig als een atleet bij het uitvoeren van zijn poging:

32.14.1

volgens de regels TR33.1 en TR38.1 de kogel op onreglementaire wijze stoot, of de speer op onreglementaire wijze werpt;

32.14.2

nadat hij zich in de ring heeft begeven en met zijn poging is begonnen met enig deel van zijn lichaam de bovenkant van de rand van de ring of de grond buiten de ring raakt;

32.14.3

bij het kogelstoten met enig deel van zijn lichaam enig deel van het stootblok raakt, anders dan de binnenzijde (met uitsluiting van de bovenrand, die moet worden gezien als deel van de bovenkant);

32.14.4

bij het speerwerpen met enig deel van zijn lichaam de lijnen die de aanloop begrenzen of de grond buiten deze lijnen raakt.

Opmerking (i)

De poging zal niet als fout aangemerkt worden als op enig moment de bovenkant van het stootblok, of bij het speerwerpen de afwerpboog of de lijnen die de aanloop markeren wordt geraakt door een los gedeelte van de schoen (bijv. de schoenveter) of kleding, of wanneer de aanraking wordt gemaakt door een ander voorwerp (bijv. een cap) dat bij het begin van de poging aan het lichaam was vastgemaakt en tijdens of na de uitvoering van de poging losraakte.

Opmerking (ii)

Het moet als fout aangemerkt worden als de discus of de kop van de slingerkogel bij de worp na het loslaten de verst verwijderde kant van de kooi raakt (linkerkant van de kooi voor een rechtshandige werper als hij met zijn gezicht naar de landingssector staat, of de rechterkant voor een linkshandige werper als hij met zijn gezicht naar de landingssector staat).

Opmerking (iii)

Op voorwaarde dat geen enkele andere regel wordt overtreden, inclusief regel TR32.10, zal het niet als fout aangemerkt worden als de discus of enig deel van de slingerkogel bij de worp na het loslaten de dichtstbijzijnde kant van de kooi raakt (rechterkant van de kooi voor een rechtshandige werper als hij met zijn gezicht naar de landingssector staat, of de linkerkant voor een linkshandige werper als hij met zijn gezicht naar de landingssector staat) en vervolgens binnen de landingssector landt buiten de begrenzing van de kooi.

Groene tekst

Verduidelijkt is dat de bovenrand aan de binnenzijde van de ring en de bovenkant ervan en / of van de stootblok worden beschouwd als de bovenkant van respectievelijk de ring en van de stootblok. Dit betekent dat het als een foutpoging wordt gezien als de atleet deze rand raakt.
De toevoeging van de opmerking bij regel TR32.14.2 is bestemd voor de draaitechniek zoals kogelstoters, discuswerpers of kogelslingeraars die toepassen. De regel behoort zo te worden geïnterpreteerd dat elk contact dat per ongeluk met de bovenkant van de ring of de grond erbuiten aan de achterste helft van de ring, gedurende de eerste draai, niet behoort te worden beschouwd als een fout.
De andere toevoeging bevestigt, dat het de bedoeling is van TR32.14.2 om binnen de begrenzing van de ring of de aanloop te blijven, zodat de atleet voldoet aan deze regel tot het moment dat hij de ring of aanloop op een correcte manier verlaat. Tenzij zij uit balans raken is uitsluitend de positie van hun voeten / schoenen bepalend. Het is niet van belang of de bovenkant van de rand, of bij het speerwerpen de afwerpboog of de lijnen die de aanloop begrenzen, of de grond buiten of de bovenkant van de stootbalk wordt geraakt door een losse schoenveter of iets dergelijks of bijvoorbeeld door een cap of een sieraad dat tijdens de uitvoering van de poging van het lichaam van de atleet valt.
De begrenzing van de kooi moet worden gedefinieerd als de grens gevormd door de kooi en de deuren als die in de juiste positie staan, en een denkbeeldige lijn getrokken door de uiteinden van de kooi / deuren, die zich het dichtst bij de landingssector bevinden.

32.15

Op voorwaarde dat tijdens een poging geen inbreuk is gemaakt op de regels met betrekking tot de werponderdelen, mag een atleet een al begonnen poging onderbreken. Hij mag het werpmateriaal binnen of buiten de ring of aanloop neerleggen en hij mag de ring of aanloop verlaten.

Opmerking

Alle bewegingen, die volgens dit lid zijn toegestaan, moeten geschieden binnen de volgens regel TR25.17 voor een poging aangegeven maximumtijd.

Groene tekst

Onder deze omstandigheden is er geen beperking in hoe of waar een atleet de ring of aanloop mag verlaten als hij dat wil. Een belangrijke eis hierbij is, dat geen enkele andere regel is of wordt overtreden.

32.16

Het is een foutpoging als de kogel, de discus, de kop van de slingerkogel of de kop van de speer bij het eerste contact met de grond de sectorlijn, of de grond buiten de sectorlijn raakt. Het is ook een foutpoging als de kogel, de discus, de kop van de slingerkogel of de kop van de speer na het loslaten, maar voordat de grond geraakt wordt enig voorwerp (anders dan de kooi zoals bepaald in opmerking (ii) bij regel TR32.14) buiten de sector raakt.

Groene tekst

De positie van de draad of het handvat is niet van belang. Het maakt niet uit of de draad bijvoorbeeld landt of ligt op of buiten de sectorlijn, op voorwaarde dat de kop van de slingerkogel correct geland moet zijn. Hetzelfde geldt voor het punt vanwaar volgens regel TR32.20.1 de meting moet plaatsvinden.

32.17

De poging moet worden afgekeurd

32.17.1

als de atleet de ring of aanloop verlaat, voordat het werpmateriaal de grond heeft geraakt, en / of

32.17.2

voor pogingen vanuit een ring, dat bij het verlaten van de ring, het eerste contact met de bovenzijde van de rand van de ring of met de grond buiten de ring niet geheel achter de lijn is, die aan beide zijden van de ring zichtbaar is en waarvan de achterzijde theoretisch door het middelpunt van de ring is getrokken;

Opmerking

Het eerste contact met de bovenkant van de rand van de ring of de grond buiten de ring wordt beschouwd als het verlaten van de ring.

32.17.3

bij het speerwerpen, dat als een atleet bij het verlaten van de aanloop, zijn eerste contact met de evenwijdige lijnen of met de grond buiten de aanloop niet geheel achter de witte lijn van de afwerpboog of de witte lijnen die aan het uiteinde van de afwerpboog loodrecht getrokken zijn op de evenwijdige lijnen is. Nadat de speer de grond heeft geraakt, wordt een atleet ook geacht de aanloop op correcte wijze te hebben verlaten als hij contact maakt met een lijn (feitelijk of denkbeeldig en aangegeven door markeringen aan de buitenkant van de aanloop) of de grond achter die lijn, die getrokken is loodrecht op de looprichting van de aanloop, op 4 meter afstand van de eindpunten van de afwerpboog. Als de atleet, op het moment dat de speer de grond raakt, zich achter de hiervoor beschreven lijn en binnen de evenwijdige lijnen die de aanloop begrenzen bevindt, dan wordt hij geacht de aanloop op correcte wijze verlaten te hebben.

Groene tekst

De tweede en derde zinnen van regel TR32.17.3 zijn bedoeld om het jureren te versnellen en niet als toegevoegde methode om een atleet een foutpoging toe te kennen. Het doel van de 4 m-markeringen is alleen om de jury in staat te stellen de witte vlag te heffen en te beginnen met het opmeten van de poging zodra de atleet zich hierachter terugtrekt (net zoals deze zou doen als hij de aanloop correct had verlaten). De enige eis is, dat er geen andere reden is om een foutpoging toe te kennen en dat de speer de grond heeft geraakt voordat de witte vlag wordt geheven. Als de atleet, om welke reden dan ook, niet de 4 m-markeringen heeft gepasseerd voor hij afwerpt, kan de vlag worden geheven als de speer is geland.

32.18

Na iedere poging moet het werpmateriaal naar de omgeving van de ring of aanloop worden teruggebracht, terugwerpen is nooit toegestaan.

Afstandsmetingen

32.19

Bij alle werponderdelen moeten de gemeten afstanden steeds naar beneden worden afgerond op 0,01 m, als de gemeten afstand niet in gehele centimeters is.

32.20

Iedere worp moet onmiddellijk na een geldige poging worden gemeten (of na een direct ingediend mondeling protest volgens regel TR8.5), vanaf de dichtstbijzijnde indruk, die bij de landing is gemaakt bij het eerste contact met de grond:

32.20.1

van de kogel, discus of kop van de slingerkogel tot de binnenrand van de ring, langs een lijn die leidt van de indruk naar het middelpunt van de ring, of

32.20.2

van de kop van de speer tot aan de binnenzijde van de afwerpboog langs een lijn die doorloopt tot het middelpunt van de ring, waarvan de afwerpboog deel uitmaakt.

Groene tekst

Zolang geen onregelmatigheid is begaan moet iedere poging worden opgemeten, ongeacht de bereikte afstand. Dit is ook van belang om vast te stellen bij een gelijk beste resultaat hoe die atleten geklasseerd dienen te worden of wie van hen doorgaat naar volgende ronden.
Behalve als omschreven in regel TR8.5 hoort normaal gesproken geen enkele poging opgemeten te worden als een overtreding is begaan. Juryleden behoren heel voorzichtig te zijn met het nemen van afwijkende besluiten en die alleen voor speciale gevallen te bewaren.
Behalve als videometing wordt toegepast hoort voor iedere geldige poging een (meestal metalen) meetpen verticaal te worden geplaatst op de plaats waar het werpmateriaal een indruk heeft achtergelaten die het dichtst bij de afzetboog of ring is gelegen. De gewaarmerkte stalen meetband moet zo worden uitgerold dat het nulpunt precies bij de pin ligt en de meetband vooral strak en vlak ligt.

33 Kogelstoten

Wedstrijd

33.1

De kogel moet met één hand vanaf de schouder worden gestoten. Als een atleet in de ring de houding aanneemt om zijn stoot te beginnen, moet de kogel contact hebben met de hals of met de kin of zich daar heel dichtbij bevinden. De atleet mag zijn hand gedurende de stoot niet vanuit deze houding laten zakken. De kogel mag niet vanachter de schouderlijn worden gestoten.

Opmerking

Radslagtechnieken zijn niet toegestaan.

Stootblok

33.2

Het stootblok moet wit zijn en moet zijn vervaardigd van hout of ander geschikt materiaal, dat de vorm heeft van een boog, waarvan de binnenkant samenvalt met de binnenrand van de ring en loodrecht staat op het oppervlak van de ring. Het moet zo worden geplaatst dat het midden samenvalt met de middellijn van de landingssector (zie figuur (a) TR32). Het stootblok moet stevig zijn vastgezet in de grond of aan het beton dat de ring omringt.

Opmerking

Stootblokken die voldoen aan de specificaties van 1983/1984 blijven acceptabel.

33.3

De breedte van het stootblok verloopt geleidelijk van 0,112 m tot 0,300 m met een koorde van 1,21 m ± 0,01 m. De kromtestraal moet gelijk zijn aan de straal van de ring. De hoogte moet 100 mm ± 8 mm zijn ten opzichte van het aan het stootblok grenzende niveau binnen in de ring.

Bovenaanzicht stootblok

Bovenaanzicht stootblok / (afmetingen in m)

Fig. TR 33 - Dwarsdoorsnede stootblok

Fig. TR 33 - Dwarsdoorsnede stootblok / (afmetingen in mm)

Kogel

33.4

De kogel moet zijn gemaakt van massief ijzer, messing of een ander metaal, dat niet zachter is dan messing. De kogel mag ook bestaan uit een mantel van een dergelijk metaal, gevuld met lood of een ander vast materiaal. De kogel moet bolvormig zijn en het oppervlak moet glad zijn afgewerkt. Er mogen geen loszittende delen zijn.

Als een vulling wordt gebruikt, dan moet het zo zijn aangebracht dat die niet kan bewegen en dat die voldoet aan de eisen voor het zwaartepunt zoals gedefinieerd in TR36.5.

Informatie voor fabrikanten: voor een glad oppervlak moet de variatie in hoogten op het oppervlak minder dan of gelijk aan 1,6 μm zijn d.w.z. een ruwheidsgetal van N7 of minder.

33.5

De kogel moet aan de volgende specificaties voldoen:

Minimum gewicht voor toelating tot wedstrijden en acceptatie voor records3,000 kg4,000 kg5,000 kg6,000 kg7,260 kg
DiameterMin.85 mm95 mm100 mm105 mm110 mm
Max.110 mm110 mm120 mm125 mm130 mm
Groene tekst/Juryteam

Voor het kogelstoten is het volgende juryteam aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel.
b. Twee juryleden die controleren of de stoot correct is uitgevoerd en die de poging opmeten. Een van hen moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Het is aan te bevelen dat dit jurylid (eventueel na het opmeten) met de rode vlag in de ring gaat staan, totdat de kogel is teruggebracht en de sector vrij is. Ook kan daarnaast, of in plaats daarvan, een pylon worden gebruikt (deze taak wordt ook wel door de chef uitgevoerd). Als er geen EDM gebruikt wordt, hoort het tweede jurylid het meetband strak en over het middelpunt van de ring te trekken.
c. Een jurylid dat direct na de stoot een merkteken plaatst vanaf waar gemeten moet worden.
d. Een jurylid bij de plaats van landing om vast te stellen waar de dichtstbijzijnde plaats van landing is om daar de meetpen of het meetprisma te plaatsen en als een meetband wordt gebruikt, het nulpunt van het meetband op de juiste plaats te houden.
e. Een jurylid dat de kogels terugbrengt naar het rek of ze in de terugrolgoot plaatst.
f. Een jurylid dat de resultaten noteert en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
g. Een jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
h. Een jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor hun poging.
i. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).
j. Een jurylid bij het kogelrek.

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst als in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.

34 Discuswerpen

Discus

34.1

De discus moet bestaan uit een massieve of holle massa van hout of ander geschikt materiaal met een metalen velg, waarvan de rand cirkelvormig moet zijn. De doorsnede van de rand van de metalen velg moet geheel cirkelvormig zijn met een straal van ongeveer 6 mm. Aan beide zijden mogen in het midden ronde metalen platen zijn ingelegd. De platen moeten stevig zijn bevestigd en mogen niet kunnen roteren. De discus mag ook gemaakt zijn zonder inlegplaten, mits het oppervlak in het midden vlak is en de afmetingen en het totale gewicht overeenstemmen met de specificaties. Er mogen geen loszittende delen zijn.

De beide zijden van de discus moeten identiek zijn en mogen geen inkepingen, uitsteeksels of scherpe hoeken hebben. De zijden moeten in een rechte lijn lopen vanaf ieder punt op een cirkel met een straal van 25 mm tot 28,5 mm van het middelpunt van de discus, tot aan het begin van de velgboog.

Fig. TR 34 - Discus

Fig. TR 34 - Discus / (afmetingen in mm)

Het profiel van de discus moet als volgt worden ontworpen. Vanaf het begin van de velgboog neemt de dikte van de discus gelijkmatig toe tot de maximale dikte D bereikt is. Deze maximale waarde wordt bereikt op een afstand van 25 tot 28,5 mm vanaf de as van de discus Y. Vanaf dit punt tot aan de as Y is de dikte van de discus constant. De boven- en onderkant van de discus moeten identiek zijn en de discus moet symmetrisch zijn rondom de as door het middelpunt Y.

De discus, inclusief het oppervlak van de velg, mag geen verruwingen hebben en de afwerking moet glad (zoals omschreven in regel TR33.4) en geheel gelijkvormig zijn.

34.2

De discus moeten aan de volgende specificaties voldoen:

Minimum gewicht voor toelating tot wedstrijden en acceptatie voor records1,000 kg1,500 kg1,750 kg2,000 kg
DiameterMin.180 mm200 mm210 mm219 mm
Max.182 mm202 mm212 mm221 mm
Diameter metalen schijf of platte deel in het middenMin.50 mm50 mm50 mm50 mm
Max.57 mm57 mm57 mm57 mm
Dikte van de metalen schijf of platte deel in het middenMin.37 mm38 mm41 mm44 mm
Max.39 mm40 mm43 mm46 mm
Dikte metalen velg (6 mm vanaf de kant)Min.12 mm12 mm12 mm12 mm
Max.13 mm13 mm13 mm13 mm
Groene tekst/Juryteam

Voor het discuswerpen is het volgende juryteam aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel.
b. Twee juryleden controleren of de worp correct is uitgevoerd en die de poging opmeten. Een van hen moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Het is aan te bevelen dat dit jurylid (eventueel na het opmeten) met de rode vlag in de ingang van de kooi gaat staan, totdat de discus is teruggebracht en de sector vrij is. Ook kan daarnaast, of in plaats van, een pylon worden gebruikt (deze taak wordt ook wel door de chef uitgevoerd). Als er geen EDM gebruikt wordt, hoort het tweede jurylid het meetband strak en over het middelpunt van de ring te trekken.
c. Een jurylid dat direct na de worp een merkteken plaatst vanaf waar gemeten moet worden. Als de discus buiten de sector landt hoort of dit jurylid of degene met de meetpen / het meetprisma (wie het dichtstbij is) dit aan te geven door een arm hoog te houden. Bij een geldige poging is geen aanwijzing nodig.
d. Een jurylid bij de plaats van landing om vast te stellen waar de dichtstbijzijnde plaats van landing is om daar de meetpen of het meetprisma te plaatsen en als een meetband wordt gebruikt, het nulpunt van het meetband op de juiste plaats te houden.
e. Een of meer juryleden of assistenten die de discussen terugbrengen naar het rek of ze in het "terugbrengautootje" plaatsen. Als een meetband wordt gebruikt, hoort een van deze juryleden of assistenten te controleren of het lint strak en recht getrokken wordt om zo een goede meting te garanderen.
f. Een jurylid dat de resultaten noteert en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
g. Een jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
h. Een jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor hun poging.
i. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).
j. Een jurylid bij het discusrek.

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst als in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.
(iii) Er moet plaats worden gereserveerd voor een windvaan om de windrichting en -sterkte te tonen.

35 De discuskooi

35.1

Alle discusworpen moeten geschieden vanuit een omheining of kooi, om de veiligheid van toeschouwers, juryleden en atleten te waarborgen. De kooi zoals die in deze regel wordt gespecificeerd, is bedoeld voor gebruik op een atletiekbaan waar tegelijkertijd ook andere onderdelen worden verwerkt, of wanneer het discuswerpen buiten de atletiekbaan wordt gehouden waarbij toeschouwers aanwezig zijn. Waar dit niet het geval is en in het bijzonder voor trainingsdoeleinden kan gebruik worden gemaakt van een veel eenvoudiger constructie. Op verzoek is advies beschikbaar van het bureau van World Athletics of van de Werkgroep Accommodatiezaken van de Atletiekunie.

Opmerking (i)

De kooi voor kogelslingeren zoals gespecificeerd in regel TR37 kan ook gebruikt worden voor discuswerpen, hetzij door gebruik te maken van een 2,135 m / 2,500 m concentrische inlegring, of door gebruik te maken van een verlengde versie van die kooi waarbij een tweede ring voor discuswerpen is geïnstalleerd vóór de ring voor kogelslingeren.

Opmerking (ii)

Als de kogelslingerkooi voor discuswerpen wordt gebruikt, dan mogen de beweegbare panelen worden gebruikt om de gevarenzone te verkleinen.

35.2

De kooi moet zodanig zijn ontworpen, vervaardigd en onderhouden dat een discus van 2 kg die met een snelheid van 25 meter per seconde beweegt erdoor wordt tegengehouden. De opstelling moet zodanig zijn, dat er geen gevaar bestaat dat de discus terugkaatst of terugspringt in de richting van de atleet of over de bovenkant van de kooi gaat. Voor de discuskooi kan ieder ontwerp en elke constructie worden gebruikt, mits wordt voldaan aan alle eisen in deze regel.

35.3

De kooi moet bij voorkeur een U-vorm hebben zoals in figuur TR 35 is aangegeven. De breedte van de opening zou 6 m moeten zijn en bevindt zich 7 m vóór het middelpunt van de ring. De breedte van 6 m moet worden gevormd door de opening die zich tussen het links en rechts afhangende net bevindt. De hoogte van de netwerkpanelen of van het afhangende net moet op het laagste punt tenminste 4 meter zijn en in de 3 meter die het dichtst bij de voorkant van de kooi liggen, moet de hoogte aan beide zijden tenminste 6 meter zijn.

Er moeten voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de discus óf zich een weg kan banen door de verbindingsstukken in de kooi of het netwerk, óf onder de netwerkpanelen of afhangende netten door kan schieten.

Opmerking (i)

Iedere inrichting van de achterste netpanelen mag worden gebruikt, mits voor de afstand van de netten tot aan het middelpunt van de ring, minimaal 3 m wordt aangehouden.

Opmerking (ii)

Vernieuwende ontwerpen die dezelfde of een betere mate van bescherming bieden en de gevarenzone niet vergroten in vergelijking met conventionele ontwerpen, kunnen door World Athletics gecertificeerd worden.

Opmerking (iii)

Aan de kant van de rondbaan zou de kooi verlengd en verhoogd, en / of van bewegende panelen voorzien kunnen worden om zo tijdens het discuswerpen de veiligheid te vergroten van de atleten die op de rondbaan met hun wedstrijd bezig zijn.

Groene tekst

Het net moet zo zijn bevestigd dat de opening op iedere hoogte even groot is. Dit geldt ook voor de deuren als deze zijn geplaatst in een positie volgens regel TR37.4 opmerking (ii).

35.4

De netten voor de kooi mogen zijn vervaardigd van een geschikt natuurlijk of synthetisch koord of, als alternatief, van (zeer) rekbaar staaldraad. De afstand tussen het midden van aangrenzende mazen van het net mogen niet groter zijn dan 45 mm voor koord en niet groter dan 50 mm voor staaldraad.

Opmerking

Nadere specificaties voor de netten en de procedures voor veiligheidsinspecties zijn opgenomen in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual".

35.5

De maximale gevarenzone voor discusworpen vanuit deze kooi is ongeveer 69°, wanneer deze tijdens dezelfde wedstrijd gebruikt wordt door zowel rechtshandige als linkshandige werpers (berekend door aan te nemen dat de discus wordt losgelaten vanaf de omtrek van een cirkel met een straal van 1,5 m). De plaats en de richting van de kooi op de atletiekbaan, is dan ook bepalend voor het veilig gebruik.

Opmerking (i)

De methode die gebruikt is om de gevarenzone te bepalen is weergegeven in figuur TR 35.

Opmerking (ii)

Op iedere wedstrijdaccommodatie moet bij voorkeur een gevarenzonekaart worden gemaakt die de gevarenzone weergeeft voor de locatie van iedere werpkooi, rekening houdend met de oriëntatie en configuratie.

Fig. TR 35 - Plattegrond van een discuskooi

Fig. TR 35 - Plattegrond van een discuskooi / (alle afmetingen in m)

36 Kogelslingeren

Wedstrijd

36.1

In de uitgangshouding voordat het slingeren of ronddraaien begint, mag de atleet de kop van de slingerkogel zowel binnen als buiten de ring op de grond laten rusten.

36.2

Als de kop van de slingerkogel de grond binnen of buiten de ring of de bovenkant van de metalen rand raakt, zal dit niet als een ongeldige poging worden beschouwd. De atleet mag hierna zijn poging onderbreken en zijn worp opnieuw beginnen onder de voorwaarde dat hierbij geen andere regels worden overtreden.

36.3

Indien de slingerdraad breekt tijdens het draaien of in de lucht, zal de worp, indien deze reglementair werd uitgevoerd, niet als een poging worden aangemerkt. Als de atleet hierdoor zijn evenwicht verliest en daardoor een overtreding begaat, mag hem dit niet worden aangerekend en moet hem een vervangende poging worden toegekend.

Slingerkogel

36.4 De slingerkogel bestaat uit drie delen: een metalen kogel, de kabel en het handvat.

Fig. (a) TR36 - Mogelijk apparaat voor de controle van het zwaartepunt van slingerkogels

Fig. (a) TR36 - Mogelijk apparaat voor de controle van het zwaartepunt van slingerkogels (niet op schaal)

36.5

De kogel moet zijn gemaakt van massief ijzer, van messing of van een ander metaal, dat niet zachter is dan messing. De kogel mag ook bestaan uit een mantel van een dergelijk metaal, gevuld met lood of een ander vast materiaal. Er mogen geen loszittende delen zijn

Het zwaartepunt van de kogel mag niet verder dan 6 mm van het middelpunt van de kogel liggen d.w.z. het moet mogelijk zijn de metalen kop van de slingerkogel (zonder kabel en handvat) te balanceren op een horizontale, scherp gekante buisopening met een diameter van 12 mm (zie figuur (a) TR36) Indien een vulling wordt gebruikt, moet dit zo zijn aangebracht dat deze vulling onbeweeglijk is en dat het voldoet aan de eisen t.a.v. het zwaartepunt.

36.6

De kabel moet bestaan uit één ononderbroken, recht stuk draad van verenstaal van tenminste 3 mm doorsnee dat niet merkbaar mag rekken bij het slingeren.

Aan een of aan beide uiteinden mag een lus gemaakt worden om de draad te kunnen vastmaken. De kabel moet aan de metalen kop van de slingerkogel zijn bevestigd door middel van een gewone draaispil al of niet met kogellager.

Opmerking

Over de in elkaar gedraaide stukken draad, mag een klein stukje helder kunststof slang met een lengte van 50 mm en een inwendige diameter van 5 mm aangebracht worden.

Groene tekst

Door het stukje slang vermindert de kans dat de slingerkogel in het net van de kooi blijft hangen, waardoor ook de kans dat wedstrijd vertraging oploopt minder wordt. Het stukje slang moet van helder plastic zijn, om de draad te kunnen controleren.

36.7

Het handvat moet onbuigzaam zijn en mag niet zijn voorzien van scharnierende verbindingen. Het handvat mag bij een trekkracht van 3,8 kN niet meer dan 3 mm langer worden. Het handvat moet op een zodanige manier aan de draad zijn bevestigd dat de totale lengte tijdens het slingeren niet groter kan worden. Het handvat moet door middel van een lus aan de kabel zijn verbonden. Hiervoor mag geen draaispil worden gebruikt.

Het handvat moet symmetrisch zijn ontworpen en mag bestaan uit een rechte of gebogen greep en / of beugel. De handgreep mag niet eerder breken dan wanneer er een kracht van 8 kN op uitgeoefend wordt.

Opmerking

Andere vormen die voldoen aan de specificaties kunnen worden geaccepteerd.

Fig. (b) TR36 - Mogelijk handvat voor de slingerkogel

Fig. (b) TR36 - Mogelijk handvat voor de slingerkogel

36.8

De slingerkogel moet aan de volgende specificaties voldoen:

Minimumgewicht voor toelating tot wedstrijden en acceptatie voor records3,000 kg4,000 kg5,000 kg6,000 kg7,260 kg
Lengte van de slingerkogel gemeten vanaf de binnenzijde van de handgreepMax.1195 mm1195 mm1200 mm1215 mm1215 mm
Diameter kogelMin.85 mm95 mm100 mm105 mm110 mm
Max.100 mm110 mm120 mm125 mm130 mm
Opmerking

het gewicht van de slingerkogel bestaat uit het totaalgewicht van de kogel, de draad en het handvat.

Groene tekst/Juryteam

Voor het kogelslingeren is het volgende juryteam aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel.
b. Twee juryleden die controleren of de worp correct is uitgevoerd en die de poging opmeten. Een van hen moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Het is aan te bevelen dat dit jurylid (eventueel na het opmeten) met de rode vlag in de ingang van de kooi gaat staan, totdat de slingerkogel is teruggebracht en de sector vrij is. Ook kan daarnaast, of in plaats van, een pylon worden gebruikt (deze taak wordt ook wel door de chef uitgevoerd). Als er geen EDM gebruikt wordt, hoort het tweede jurylid het meetband strak en over het middelpunt van de ring te trekken.
c. Een jurylid dat direct na de worp een merkteken plaatst van waar gemeten moet worden. Als de kogel buiten de sector landt, hoort of dit jurylid of degene met de meetpen / het meetprisma (wie het dichtstbij is) dit aan te geven door een arm hoog te houden. Bij een geldige poging is geen aanwijzing nodig.
d. Een jurylid bij de plaats van landing om vast te stellen waar de dichtstbijzijnde plaats van landing is om daar de meetpen of het meetprisma te plaatsen en als een meetband wordt gebruikt, het nulpunt van het meetband op de juiste plaats te houden.
e. Een of meer juryleden of assistenten die de slingerkogels terugbrengen naar het rek of ze in het "terugbrengautootje" plaatsen. Als een meetband wordt gebruikt, hoort een van deze juryleden of assistenten te controleren of het lint strak en recht getrokken wordt om zo een goede meting te garanderen.
f. Een jurylid dat de resultaten noteert en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
g. Een jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
h. Een jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor een poging.
i. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).
j. Een jurylid bij het rek met de slingerkogels.

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst als in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.

37 Kooi voor kogelslingeren

37.1

Alle worpen moeten geschieden vanuit een omheining of kooi, om de veiligheid van toeschouwers, juryleden en atleten te waarborgen. De kooi zoals die in deze regel wordt gespecificeerd, is bedoeld voor gebruik op een atletiekbaan waar tegelijkertijd ook andere onderdelen worden verwerkt, of wanneer het kogelslingeren buiten de atletiekbaan wordt gehouden waarbij toeschouwers aanwezig zijn. Waar dit niet het geval is, en met name voor trainingsdoeleinden, kan gebruik worden gemaakt van een eenvoudiger constructie. Op verzoek is advies beschikbaar van het bureau van World Athletics of van de Werkgroep Accommodatiezaken van de Atletiekunie.

37.2

De kooi moet zodanig zijn ontworpen, vervaardigd en onderhouden dat een slingerkogel van 7,26 kg die met een snelheid van 32 meter per seconde beweegt erdoor wordt tegengehouden. De kooi moet zodanig zijn ingericht, dat er geen gevaar bestaat dat de slingerkogel terugkaatst of terugspringt in de richting van de atleet of over de bovenkant van de kooi gaat. Voor de kooi voor het kogelslingeren kan ieder ontwerp en elke constructie worden gebruikt, mits wordt voldaan aan alle eisen in deze regel.

37.3

De kooi moet bij voorkeur een U-vorm hebben zoals in figuur (a) TR 37 is aangegeven. De breedte van de opening zou 6 m moeten zijn en bevindt zich 7 m voor het middelpunt van de ring. De opening van 6 m moet worden gevormd door de opening tussen het net op de plaats van het draaipunt van de deuren. De hoogte van de netwerkpanelen of van het afhangende net aan de achterzijde van de kooi moet op het laagste punt tenminste 7 m zijn en de laatste 2,80 m brede panelen tot aan het draaipunt van de beweegbare netwerkpanelen moeten tenminste 10 m hoog zijn.

Er moeten voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de slingerkogel zich een weg kan banen door de verbindingen tussen de panelen, door de mazen of openingen in het netwerk of onder het net doorschiet.

Opmerking (i)

Iedere inrichting van de achterste netpanelen mag worden gebruikt, mits voor de afstand van de netten tot aan het middelpunt van de ring, minimaal 3,50 m wordt aangehouden.

Opmerking (ii)

Om de netten in de positie te houden zoals getoond in figuur TR37 mag ieder aantal palen worden gebruikt.

37.4

Aan het voorste gedeelte van de kooi moeten twee beweegbare netwerkpanelen van 2 m breed worden aangebracht, waarvan er slechts een tegelijk moet worden gebruikt. Deze panelen moeten tenminste 10 m hoog zijn.

Opmerking (i)

Het linker paneel wordt gebruikt voor werpers die tegen de richting van de klok in draaien, het rechter paneel voor werpers die met de klok meedraaien. Tijdens wedstrijden met zowel rechts- als linkshandige werpers zal het noodzakelijk zijn afwisselend zowel het ene als het andere paneel te benutten. Het is belangrijk, dat het omzetten van de panelen eenvoudig kan worden uitgevoerd en zo weinig mogelijk tijd vergt.

Opmerking (ii)

In de tekening zijn de eindposities van beide panelen aangegeven ofschoon tijdens wedstrijden slechts een paneel in de gesloten positie zal staan.

Opmerking (iii)

Het in gebruik zijnde paneel moet precies worden opgesteld, zoals is aangegeven. Voorzieningen moeten worden getroffen om het paneel in de vereiste positie te kunnen vastzetten. Het wordt aanbevolen om (tijdelijk of permanent) op de grond de positie van de panelen te markeren.

Opmerking (iv)

De constructie van deze panelen en het gebruik ervan is afhankelijk van het ontwerp van de kooi. Het omzetten kan gebeuren door schuiven of scharnieren op een verticale of horizontale as of door demontage. De enige harde eis is dat het in gebruik zijnde paneel volledig in staat moet zijn om de slingerkogel, die ermee in aanraking komt, tegen te houden en dat er geen gevaar mag bestaan dat de slingerkogel zich een weg baant tussen de vaste en de beweegbare panelen door.

Opmerking (v)

Vernieuwende ontwerpen die dezelfde of een betere mate van bescherming bieden en de gevarenzone niet vergroten in vergelijking met conventionele ontwerpen, kunnen door World Athletics gecertificeerd worden.

37.5

De netten voor de kooi kunnen zijn vervaardigd van een geschikt natuurlijk of synthetisch koord, of van (zeer) rekbaar staaldraad. De afstand tussen het midden van aangrenzende mazen van het net mogen niet groter zijn dan 45 mm voor koord en niet groter dan 50 mm voor staaldraad.

Opmerking

Nadere specificaties voor het netwerk en de procedures voor veiligheidsinspecties zijn opgenomen in de World Athletics Track and Field Facilities Manual.

37.6

Als het gewenst is dezelfde kooi ook te gebruiken voor het discuswerpen kan de kooi op twee manieren aangepast worden. De meest eenvoudige werkwijze is het aanbrengen van een 2,135 m / 2,500 m concentrische inlegring, maar dit betekent gebruik van hetzelfde oppervlak in de ring voor zowel kogelslingeren als discuswerpen. Als de kooi voor kogelslingeren ook wordt gebruikt voor discuswerpen, moeten de beweegbare panelen zo worden opgesteld dat de opening van de kooi volledig vrij is.

Een andere mogelijkheid is om te werken met twee afzonderlijke ringen voor kogelslingeren en discuswerpen in dezelfde kooi. De twee ringen moeten achter elkaar geplaatst worden, met de middelpunten, 2,37 m uit elkaar, op de hartlijn van de sector en de ring voor het discuswerpen aan de voorzijde. In dit geval moeten de beweegbare panelen gebruikt worden voor het discuswerpen om zo de lengte van de zijpanelen te verlengen.

Opmerking

Voor de netwerkpanelen aan de achterzijde mag iedere inrichting worden gebruikt, als tenminste voor de afstand van de netten tot aan het middelpunt van de concentrische ring, minimaal 3,50 m wordt aangehouden. Voor kooien met gescheiden ringen die zijn gemaakt volgens de geldende regels van vóór 2004, met de discusring als achterste ring, moet minimaal 3 m worden aangehouden (zie ook regel TR37.4).

Fig. (a) TR37 - Kooi voor discuswerpen en kogelslingeren

Fig. (a) TR37 - Kooi voor discuswerpen en kogelslingeren / Panelen in stand kogelslingeren (alle afmetingen in m)

Fig. (b) TR 37 - Kooi voor discuswerpen en kogelslingeren

Fig. (b) TR 37 - Kooi voor discuswerpen en kogelslingeren / Panelen in stand discuswerpen (alle afmetingen in m)

37.7

De maximale gevarenzone voor kogelslingeren vanuit deze kooi, is ongeveer 53°, wanneer deze tijdens de wedstrijd gebruikt wordt door zowel rechtshandige als linkshandige werpers (berekend door aan te nemen dat de slingerkogel wordt losgelaten vanaf de omtrek van een cirkel met een straal van 2,407 m). De plaats en de richting waarin de kooi is geplaatst, is dan ook bepalend voor de veiligheid.

Opmerking (i)

De methode die gebruikt wordt om de gevarenzone vast te stellen is weergegeven in figuur (a) TR37.

Opmerking (ii)

Op iedere wedstrijdaccommodatie moet bij voorkeur een gevarenzonekaart worden gemaakt die de gevarenzone weergeeft voor de locatie van iedere werpkooi, rekening houdend met de oriëntatie en configuratie.

38 Speerwerpen

Wedstrijd

38.1

De speer mag slechts met één hand bij de omwikkeling worden vastgehouden. Ze moet over de schouder of het bovenste deel van de werparm worden geworpen. Ze mag nooit geslingerd of met een draaibeweging geworpen worden. Niet-orthodoxe methoden zijn verboden.

38.2

Een worp is slechts dan geldig, als de metalen kop vóór enig ander deel van de speer de grond raakt.

Opmerking

deze regel verwijst naar de aanloop en de feitelijke afworp, niet naar het teruglopen, voordat met de poging begonnen wordt of de poging is afgebroken.

Groene tekst

Eerdere informatie in de regels over de punt van de speer zijn verwijderd en vervangen door een algemene aanwijzing over de kop. Dit onderkent dat de vorm ervan sterk varieert en dat maakt het moeilijk om speciaal de punt te definiëren. Dit betekent dat de juryleden bij het vaststellen of een speer correct geland is volgens regel TR32.16 en deze regel TR38.2 en de verwijzing naar regel TR32.20.2 nu ruimere mogelijkheden hebben om te beoordelen. Maar het principe van de eerdere informatie blijft ongewijzigd en er moet dus een - eventueel kleine - hoek zijn bij de landing om de poging geldig te kunnen verklaren. Een platte landing of eerst de staart op de grond blijft ongeldig.

38.3

Vanaf de voorbereiding van de worp, totdat de speer in de lucht is, mag de atleet zich niet zo omdraaien, dat zijn rug naar de werprichting wordt gekeerd.

38.4

Als de speer tijdens de worp of in de lucht breekt zal de worp, indien deze reglementair werd uitgevoerd, niet als een fout worden aangemerkt. Als de atleet hierdoor zijn evenwicht verliest en daardoor een overtreding begaat, mag hem dit niet worden aangerekend. In beide gevallen moet hem een vervangende poging worden toegekend.

Speer

38.5

De speer moet uit drie hoofdonderdelen bestaan: een schacht, een kop en een handvat van koord.

38.6

De schacht mag massief of hol zijn en moet geheel van metaal of een ander geschikt materiaal zijn waarmee een vast en integraal geheel wordt gevormd. Het oppervlak van de schacht mag geen oneffenheden vertonen, zoals putjes, bultjes, gaatjes, groeven, ribbels of andere ruwheden en moet geheel glad (zie regel TR33.4) en gelijkvormig zijn.

38.7

Aan de schacht moet een metalen kop zijn bevestigd, die uitloopt in een scherpe punt. De kop moet volledig van metaal zijn. Aan het uiteinde van de kop mag een verstevigde punt van een andere metaallegering bevestigd zijn, mits de complete kop over het gehele oppervlak glad en gelijkvormig is (zie regel TR33.4). De hoek van het uiteinde van de kop mag niet groter zijn dan 40°.

Opmerking

De laatste 3mm van de punt hoeft niet te voldoen aan de vereisten voor de hoek van de punt, mits de veiligheidseisen van de constructie in acht zijn genomen.

38.8

Het handvat, waarbinnen het zwaartepunt van de speer moet vallen, mag de gemiddelde diameter van de schacht met niet meer dan 8 mm te boven gaan. Het oppervlak mag een regelmatig, antislip patroon hebben, maar zonder knopen of inkepingen of dergelijke. Het handvat moet overal eenzelfde dikte hebben.

38.9

De doorsnede van de speer moet helemaal rond zijn (zie opmerking (i)). De maximale diameter van de schacht moet direct voor het handvat liggen. Het middelste deel van de schacht, inclusief het deel onder het handvat mag cilindrisch zijn of enigszins schuin aflopend in de richting van de achterkant van de speer. In geen geval mag de afname in diameter, gerekend vanaf het punt vlak voor het handvat tot het punt vlak daarachter, meer bedragen dan 0,25 mm. Vanaf het handvat tot aan de punt aan de voorkant en vanaf het handvat tot aan het achterste uiteinde mag de speer geleidelijk dunner worden. De lijn van het handvat naar de punt aan de voorkant en naar het achterste uiteinde moet recht of licht gebogen zijn (zie opmerking (ii)) en over de gehele lengte van de speer mag geen abrupte wijziging in de diameter voorkomen, uitgezonderd direct achter de kop en net voor en net achter het handvat. Achter de kop mag de afname van de diameter niet meer dan 2,5 mm bedragen.

Opmerking (i)

Hoewel de speer over de gehele lengte volkomen rond moet zijn, is op iedere doorsnijding een verschil van 2% tussen de grootste en kleinste diameter toegestaan. Op iedere benoemde doorsnede, moet de gemiddelde waarde van deze twee diameters overeenstemmen met de hieronder in de tabel gespecificeerde maten.

Opmerking (ii)

De vorm van het langs profiel kan snel en eenvoudig gecontroleerd worden met een rechte metalen lat van tenminste 0,50 m lang en twee voelermaatjes met een dikte van 0,20 en 1,25 mm. Als de lat strak tegen de speer wordt gehouden op een plaats waar de lijn licht gebogen is, zal de lat heen en weer schommelen. Als de lat strak tegen de speer wordt gehouden op de plaats waar de lijn recht is, mag het voelermaatje van 0,20 mm nergens tussen de speer en de lat in kunnen worden gestoken. Dit geldt niet voor het punt direct achter de bevestiging van de kop aan de schacht; op dit punt mag het voelermaatje van 1,25 mm niet tussen de lat en de speer in passen.

38.10

De speer moet aan de volgende specificaties voldoen:

Minimumgewicht (inclusief koordomwikkeling) voor toelating tot wedstrijden en acceptatie voor records
500 g600 g700 g800 g
Totale lengte (L0)
500 g600 g700 g800 g
Minimum2000 mm2200 mm2400 mm2600 mm
Maximum2100 mm2300 mm2500 mm2700 mm
Afstand van de speerpunt tot het zwaartepunt (L1)
500 g600 g700 g800 g
Minimum780 mm800 mm850 mm900 mm
Afstand van de achterzijde tot het zwaartepunt (L2)
880 mm920 mm990 mm1060 mm
Minimum1120 mm1280 mm1410 mm1540 mm
Maximum1320 mm1500 mm1650 mm1800 mm
Lengte van de metalen kop (L3)
880 mm920 mm990 mm1060 mm
Minimum220 mm250 mm250 mm250 mm
Maximum270 mm330 mm330 mm330 mm
Lengte van de koordomwikkeling (L4)
880 mm920 mm990 mm1060 mm
Minimum135 mm140 mm150 mm150 mm
Maximum145 mm150 mm160 mm160 mm
Diameter van de schacht op het dikste punt (voor de greep – D0)
880 mm920 mm990 mm1060 mm
Minimum20 mm20 mm23 mm25 mm
Maximum24 mm25 mm28 mm30 mm

38.11

De speer mag geen bewegende delen of andere hulpmiddelen hebben, waardoor tijdens de worp het zwaartepunt of de werpkarakteristiek kan veranderen.

38.12

Het spits toelopen van de speer naar de top van de metalen kop moet zodanig zijn, dat de hoek van de speerpunt niet groter is dan 40°. Op 0,15 m vanaf de top van de metalen kop mag de diameter niet groter zijn dan 80% van de maximale diameter van de schacht. Midden tussen het zwaartepunt en de top van de metalen kop mag de diameter niet groter zijn dan 90% van de maximale diameter van de schacht.

38.13

Het spits toelopen van de schacht naar de achterkant van de speer moet zodanig zijn, dat de diameter midden tussen het zwaartepunt en de achterste punt tenminste 90% van de maximale diameter van de schacht is. Op 0,15 m van de achterste punt mag de diameter niet kleiner zijn dan 40% van de maximale diameter van de schacht. De diameter aan de achterste punt moet minimaal 3,5 mm zijn.

Eigenschappen van "internationale" speren (zie ook figuur TR38)

LengtenBeschrijvingD-nummerDiameters – LocatieMaximumMinimum
L0TotaalD0Voor het handvat--
L1Van punt tot ZPD1Achter het handvatD0D0 – 0,25 mm
½ L1Helft van L1D2150 mm vanaf de punt0,8 D0-
L2Achterkant tot ZPD3Achterkant kop--
½ L2Helft van L2D4Direct achter de kop-D3 – 2,5 mm
L3KopD5Halfweg punt tot ZP0,9 D0-
L4HandvatD6HandvatD0 + 8 mm-
D7Halfweg achterkant tot ZP-0,9 D0
D8150 mm vanaf achterkant-0,4 D0
ZPZwaartepuntD9Achterkant-3,5 mm
Opmerking

Alle metingen van de diameter moeten met een nauwkeurigheid van 0,1 mm uitgevoerd worden.

Fig. TR38 - Internationale speer

Fig. TR38 - Internationale speer

Groene tekst/Juryteam

Voor het speerwerpen is het volgende juryteam aanbevolen:
a. De Chef overziet het gehele onderdeel.
b. Twee juryleden controleren of de worp correct is uitgevoerd en die de poging opmeten. Een van hen moet twee vlaggen ter beschikking hebben: wit om te tonen dat de poging geldig is verlopen en rood voor een foutpoging. Het is aan te bevelen dat dit jurylid (eventueel na het opmeten) met de rode vlag op de aanloop gaat staan, totdat de speer is teruggebracht en de sector vrij is. Ook kan daarnaast, of in plaats van, een pylon worden gebruikt (deze taak wordt ook wel door de chef uitgevoerd). Als er geen EDM gebruikt wordt, hoort het tweede jurylid het meetband strak en over het 8 m-punt van de aanloop te trekken.
c. Een of twee juryleden die direct na de worp een merkteken plaatsen van waar gemeten moet worden. Als de speer buiten de sector landt, hoort of dit jurylid of degene met de meetpen / het meetprisma (wie het dichtstbij is) dit aan te geven door een arm hoog te houden. Een daarvoor bestemd gebaar is ook nodig als deze juryleden vaststellen dat de speer niet "met de kop eerst" is geland. Het is aan te raden dat een signaal, anders dan vlaggen voor dit doel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld de armen voor de borst kruisen). Bij een geldige poging is geen aanwijzing nodig.
d. Een jurylid bij de plaats van landing om vast te stellen waar de dichtstbijzijnde plaats van landing is om daar de meetpen of het meetprisma te plaatsen en als een meetband wordt gebruikt, het nulpunt van het meetband op de juiste plaats te houden.
e. Een of meer juryleden of assistenten die de speren terugbrengen naar het rek of ze in het "terugbrengautootje" plaatsen. Als een meetband wordt gebruikt, hoort een van deze juryleden of assistenten te controleren of het lint strak en recht getrokken wordt om zo een goede meting te garanderen.
f. Een jurylid dat de resultaten noteert en iedere atleet oproept (plus degene die daarna volgt).
g. Een jurylid dat het scorebord bedient (poging - startnummer - resultaat).
h. Een jurylid dat de klok bedient en de atleten toont, dat zij een vastgestelde tijd hebben voor hun poging.
i. Jurylid dat toezicht houdt op de atleten (marshal).
j. Een jurylid bij het rek waar de speren in geplaatst worden.

Opmerkingen

(i) Dit is de traditionele taakverdeling voor de juryleden. In wedstrijden waarin een datasysteem en elektronische scoreborden beschikbaar zijn, is daarvoor zeker gespecialiseerd personeel nodig. Voor de duidelijkheid: in deze gevallen worden de voortgang van het onderdeel en de resultaten door zowel de secretaris op een geschreven lijst als in het datasysteem bijgehouden.
(ii) Juryleden en apparatuur moeten zo zijn gepositioneerd, dat atleten er niet door belemmerd worden en het publiek goed zicht behoudt.
(iii) Er moet plaats zijn voor een windvaan om de windrichting en -sterkte te tonen.