Ga naar hoofdinhoud
Versie: 2026-01

Deel V - Wedstrijden in een 200 m standaard rondbaan stadion (korte baan)

40 Toepasselijkheid van de standaard 400 m rondbaan stadionregels op wedstrijden in een 200 m standaard rondbaan stadion

Met uitzondering van de hieronder in dit deel V opgenomen regels én, in het geval van prestaties geleverd in een gesloten en overdekte accommodatie, de eisen gesteld aan het meten van de windsnelheid zoals bepaald in de regels TR17 en TR29, zijn de regels zoals weergegeven in deel I tot en met IV voor wedstrijden in een stadion met een 400 m standaard rondbaan stadion ook van toepassing op wedstrijden in een stadion met een 200 m standaard rondbaan stadion.

► NED

De in dit deel genoemde bepalingen gelden voor alle korte baan wedstrijden. De algemeen directeur van de Atletiekunie kan voor nationale korte baan wedstrijden in zeer dringende gevallen afwijkingen van deze bepalingen toestaan.

41 Het korte baan stadion

41.1

Het korte baan stadion mag volledig overdekt en gesloten zijn. Verlichting, verwarming en ventilatie moeten dan aanwezig zijn om acceptabele wedstrijdcondities te scheppen.

41.2

Op het wedstrijdterrein moeten aanwezig zijn: een rondbaan, een rechte baan voor de sprint- en hordeonderdelen en aanloop- en landingsgebieden voor de springonderdelen. Daarnaast moeten er een permanente of tijdelijke ring en een landingssector voor het kogelstoten zijn voorzien. Alle faciliteiten moeten voldoen aan de specificaties van de World Athletics "Track and Field Facilties Manual".

41.3

Alle loopbanen, aanlopen en afzetplaatsen moeten voorzien zijn van een kunststof toplaag, die bij voorkeur geschikt moet zijn voor spikes met punten van 6 mm lengte. (Zie ook regel 11 van de "Athletic Shoe Regulations"). De leverancier van de toplaag of de eigenaar van het stadion kan spikes met een lengte tot en met 9 mm toestaan.

Korte baan wedstrijden volgens paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie voor World Rankings Competition mogen uitsluitend worden gehouden op accommodaties die een goedkeuringscertificaat van World Athletics hebben. Als zulke accommodaties beschikbaar zijn, wordt aanbevolen ook de wedstrijden volgens paragrafen 1.(d), (e) en 2. (c), (d), (e) van de definitie voor World Rankings Competition in die accommodaties te houden.

41.4

De ondergrond waarop de kunststof van de loopbanen, de aanlopen en de afzetgebieden is aangebracht, moet óf massief zijn (bijvoorbeeld beton) óf, indien aangebracht op een zwevende constructie (zoals op balken bevestigde houten planken of multiplex platen), geen speciale verende delen bevatten en iedere aanloop moet, voor zover dat technisch mogelijk is, over de hele lengte dezelfde veerkracht hebben. Deze eigenschap moet voor alle afzetgebieden vóór iedere wedstrijd gecontroleerd worden.

Opmerking bij 41.4

Onder speciale verende delen wordt verstaan een opzettelijk ontworpen constructie die bedoeld is om extra assistentie aan de atleten te verlenen.

Opmerking (i)

De World Athletics "Track and Field Facilities Manual" die bij het bureau van World Athletics aangevraagd of van de website van World Athletics gedownload kan worden, bevat meer gedetailleerde en duidelijk omschreven specificaties voor de planning en bouw van korte baan accommodaties, inclusief diagrammen voor de meting van de baan en voor de markeringen.

Opmerking (ii)

De huidige standaardformulieren die nodig zijn voor het aanvragen van de certificering van accommodaties, het meetrapport voor indooraccommodaties en de "Certification Systems Procedures" zijn op aanvraag te verkrijgen bij het bureau van World Athletics / de Atletiekunie, of kunnen gedownload worden van de website van World Athletics.

Groene tekst

Gebrek aan geschikte verlichting is een veel voorkomend probleem bij wedstrijden in overdekte accommodaties. Een overdekt stadion moet een verlichting hebben die een correcte en eerlijke uitvoering van wedstrijden mogelijk maakt. Als er televisie aanwezig is, moet het verlichtingsniveau mogelijk zelfs hoger zijn. Op en rondom de finishlijn kan extra verlichting vereist zijn voor de volautomatische tijdwaarneming.

42 De Sprintbaan

(Zie de regels voor 400 m standaard rondbaan wedstrijden in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual")

43 De Rondbaan

43.1

De nominale lengte van een standaard rondbaan moet 200 m zijn (200 m standaard rondbaan). De baan moet bestaan uit twee parallel lopende rechte stukken en twee bochten die schuin mogen liggen en waarvan de bochtstralen gelijk moeten zijn.

De binnenzijde van de baan moet zijn afgezet met een rand van geschikt materiaal van ongeveer 50 mm hoog en breed, of met een witte lijn van 50 mm breed. De buitenzijde van deze rand of lijn, vormt de binnenzijde van baan 1. De binnenzijde van deze rand of lijn moet over de gehele lengte van de baan horizontaal zijn.

Deze rand of lijn mag in de schuine bocht worden geplaatst, echter zodanig dat het draaipunt van de bocht over de hele lengte van de bocht horizontaal moet zijn.

Opmerking

Alle metingen moeten worden uitgevoerd zoals aangegeven in regel TR14.2.

Groene tekst

Resultaten behaald op een rondbaan met een nominale lengte die afwijkt van 200 meter, mogen worden beschouwd als behaald op een standaard 200 meter rondbaan, als tenminste de nominale lengte niet groter is dan 201,20 meter (220 yards).

Banen

43.2

De rondbaan moet uit minimaal 4 en maximaal 6 banen bestaan.

De nominale breedte van de banen moet, met inbegrip van de witte lijn aan de rechterkant, tussen 0,90 m en 1,10 m liggen. Alle banen moeten dezelfde nominale breedte hebben met een tolerantie van ± 0,01 m op de gekozen breedte. De banen moeten van elkaar zijn gescheiden door witte lijnen van 50 mm breed.

Groene tekst

Om wedstrijden van het hoogste niveau te organiseren, is het zinvol als de rondbaan bestaat uit 6 banen. De ideale breedte van de banen zou 1 m moeten zijn.

Helling van de bochten

43.3

De hellingshoek zou op iedere doorsnede van de baan (zowel in de bochten als separaat op de rechte einden) voor alle banen hetzelfde moeten zijn. Het rechte stuk van de baan mag vlak zijn of met een maximale zijdelingse hellingshoek van 1:100 (1%) in de richting van de binnenbaan aflopen.

Om de overgang van het rechte stuk naar de hellende bocht makkelijker te maken, mag er een geleidelijke overgang zijn van het vlakke rechte stuk naar de hellende bocht die in het rechte stuk mag doorlopen. Bovendien zou er ook een verticale overgang moeten zijn.

Bochtmarkeringen

43.4

Op de plaatsen waar de binnenkant van de baan begrensd wordt door een witte lijn, moet deze begrenzing in de bochten en eventueel op de rechte stukken tevens worden aangegeven met pylonen waarvan de hoogte 0,10 tot 0,15 m hoog moet zijn. De pylonen moeten zodanig op de witte lijn worden geplaatst, dat de buitenkant van de basis van de pylon of van de vlag samenvalt met de rand van de witte lijn, die het dichtst bij de baan ligt. De pylonen moeten, in de bochten worden geplaatst op onderlinge afstanden van maximaal 1,5 m in de bochten en, indien gebruikt, 10 m op de rechte einden. Ook andere bruikbare merktekens met dezelfde hoogten mogen worden gebruikt, mits goedgekeurd door de technisch gedelegeerde(n).

Opmerking: Voor alle korte baan wedstrijden die direct onder de controle van World Athletics vallen wordt het gebruik van een binnenrand sterk aanbevolen.

Groene tekst

Bij het plaatsen van de pylonen moet er rekening mee worden gehouden dat de witte lijn aan de binnenkant van baan 1 niet onderdeel is van de baan waarin de atleet loopt die baan 1 heeft geloot.

44 Start en finish op de rondbaan

44.1

Technische informatie over de constructie en markeringen van een standaard korte baan rondbaan met schuin liggende bochten is opgenomen in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual". Deze regel geeft de grondbeginselen aan die moeten worden gevolgd.

Minimumeisen

44.2

De start en de finish moeten worden aangegeven door een witte lijn van 50 mm breed. Op het rechte gedeelte van de baan wordt deze lijn loodrecht getrokken op de lijnen die de banen van elkaar scheiden, terwijl in de bochten een lijn langs een straal door het middelpunt wordt gevolgd.

44.3

Voor alle afstanden moet zo mogelijk slechts één finishlijn worden gehanteerd. Deze finishlijn moet in een recht gedeelte van de baan liggen en het rechte gedeelte van de baan vóór de finishlijn moet zo lang mogelijk zijn.

44.4

Het is een eerste vereiste, dat de startlijn, of deze nu recht, verspringend of gebogen is, zodanig ligt dat de af te leggen afstand voor elke atleet, als hij de kortst toegestane route neemt, hetzelfde is.

44.5

Voor zover mogelijk moeten de startlijnen (en de lijnen van de wisselzones) niet liggen in het steilst oplopende gedeelte van een bocht.

Uitvoering van de looponderdelen

44.6

Uitvoering van de looponderdelen is als volgt:

44.6.1

Wedstrijden tot en met 300 m moeten geheel in banen worden gelopen.

44.6.2

In wedstrijden van meer dan 300 m en minder dan 800 m moet er worden gestart in banen en moet er tot de overgangslijn aan het einde van de tweede bocht in banen worden gelopen.

44.6.3

Bij wedstrijden over 800 m kan bij de start, óf iedere atleet een aparte baan toegewezen krijgen, óf er worden tot twee atleten in iedere baan geplaatst, óf er wordt in groepen vanachter een gebogen lijn gestart zoals beschreven in regel TR17.5.2 waarbij bij voorkeur in de banen 1 en 4 moet worden begonnen. Wanneer gestart wordt in banen, mogen atleten hun baan pas verlaten na de overgangslijn die is aangegeven aan het einde van de tweede bocht.
Bij een groepsstart mogen de atleten die in de buitenste groep zijn gestart zich pas bij de binnenste groep voegen, nadat zij de overgangslijn aan het einde van de eerste bocht hebben bereikt, of na de tweede bocht als bepaald is dat er twee bochten in groepen wordt gelopen. Er kan ook een enkele gebogen startlijn worden gebruikt.

Opmerking (i)

Bij wedstrijden volgens paragrafen 1. (e) en 2. (e) van de definitie van World Rankings Competition kunnen landen afspreken om de 800 m niet in banen te starten.

Opmerking (ii)

In accommodaties met minder dan 6 rondbanen kan een groepsstart gebruikt worden om te bereiken dat zes atleten aan de wedstrijd mee kunnen doen.

44.6.4

Wedstrijden langer dan 800 m worden niet in aparte banen gelopen en worden gestart vanachter een gebogen startlijn of door middel van een groepsstart. Als er in groepen wordt gestart dan moet de overgangslijn zich bevinden óf aan het einde van de eerste bocht óf aan het einde van de tweede bocht.

Als een atleet zich niet aan de bepalingen van deze regel houdt, moet hij worden gediskwalificeerd.

De overgangslijn moet bestaan uit een 50 mm brede gebogen lijn, aan het eind van beide bochten en die zich uitstrekt over alle banen behalve baan 1. Om atleten te helpen bij het herkennen van de overgangslijn moeten kleine pylonen, prisma's of andere geschikte markeringen (50 mm x 50 mm en niet hoger dan 0,15 m), bij voorkeur in een andere kleur dan de overgangslijn en de scheidingslijnen van de banen, geplaatst worden direct vóór de kruising van de scheidingslijnen van de banen met de overgangslijn.

Groene tekst

Voor het aangeven van de buitenste helft van de baan voor groepsstarts is een gekleurde lijn alléén niet voldoende. Er moeten ook dan fysieke merktekens worden gebruikt.

Start- en finishlijn op een baan met een nominale lengte van 200 m

44.7

De startlijn in baan 1 moet op het rechte stuk voor de hoofdtribune liggen. De juiste plaats hiervan moet zo worden vastgesteld, dat de verste startlijn in de buitenbaan (voor de 400 m) op een zodanige plaats ligt dat de helling op die plaats niet meer dan 12° is.

De finishlijn voor alle afstanden moet het verlengde van de startlijn in baan 1 zijn, aangebracht over de gehele breedte van de baan en loodrecht op de lijnen tussen de banen.

Groene tekst

De kleuren die moeten worden gebruikt voor het markeren van de baan worden aangegeven in het belijningsplan dat is opgenomen in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual".

45 Serie-indeling en loting voor banen bij de looponderdelen

45.1

De indeling in, en de samenstelling van de series moet worden gemaakt in overeenstemming met regel TR20.3.

Opmerking (i)

Als in de van toepassing zijnde wedstrijdbepalingen of in andere bepalingen van de wedstrijdorganisator daarin niet voorzien, kunnen om het aantal ronden en series in iedere ronde en de kwalificatie-eisen vast te stellen, tabellen worden gebruikt, die zijn gepubliceerd op de website van World Athletics en op de website van de Atletiekunie.

Opmerking (ii)

In de van toepassing zijnde bepalingen kan worden vastgelegd hoe leeggevallen plaatsen in halve finales en finales kunnen worden opgevuld door atleten die in de voorgaande ronde in de rangorde achter de gekwalificeerde atleten zijn geplaatst.

45.2

Bij looponderdelen, waarbij een bocht geheel of gedeeltelijk in banen moet worden gelopen en waarvoor meerdere ronden moeten worden verwerkt, moeten voor alle ronden drie lotingen voor de indeling in banen worden verricht:

45.2.1

een voor de twee hoogst geplaatste atleten of teams om de plaatsing in de twee buitenste banen te bepalen;

45.2.2

een volgende voor de als derde en vierde geplaatste atleten of teams om de plaatsing in de volgende twee banen te bepalen;

45.2.3

een derde voor de overige atleten of teams om de plaatsing in de overgebleven banen te bepalen.

45.3

Voor alle andere looponderdelen moet voor de banen worden geloot in overeenstemming met het bepaalde in de regels TR20.4.1, TR20.4.2, TR20.4.3 en TR20.5.

Groene tekst

Wanneer het aantal banen afwijkt, dan moeten de tabellen voor plaatsing, de overgangsregels en de baanloting worden aangepast in de specifieke wedstrijdbepalingen of indien nodig door de Technisch Gedelegeerde(n) of de wedstrijdorganisatoren worden vastgesteld.

46 Met opzet open gelaten

47 Hordelopen

47.1

De standaardafstanden zijn 50 m en 60 m op de sprintbaan.

47.2

Opzet van de horden voor wedstrijden (alle afmetingen in m):

U18 mannenU20 mannenMannenU18 vrouwenU20 vrouwen / Vrouwen
Hoogte van de horde0,9140,9911,0670,7620,838
Afstand50 m / 60 m
Aantal horden4/5
Startlijn naar eerste horde13,7213,00
Tussen de horden9,148,50
Laatste horde tot finishlijn8,86 m / 9,72 m11,50 m / 13,00 m

48 Estafettes

Uitvoering van de races

48.1

Bij de 4 x 200 m moet de eerste loper, en de tweede loper de eerste bocht tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn zoals beschreven in regel TR44.6 in banen lopen. Iedere wisselzone moet 20 m lang zijn en de tweede, derde en vierde atleten moeten starten binnen deze zone.

48.2

De 4 x 400 m en de 4 x 400 m gemengd moeten worden gelopen volgens de bepalingen van regel TR44.6.2.

48.3

De 4 x 800 m moet worden gelopen volgens de bepalingen van regel TR44.6.3.

48.4

De wachtende derde en vierde lopers van de 4 x 200 m, moeten zich, onder toezicht van een daarvoor aangewezen jurylid, in dezelfde volgorde (van binnen naar buiten) opstellen, als die waarin hun aankomende ploeggenoten de laatste bocht ingaan. Als de aankomende atleten dit punt eenmaal gepasseerd zijn, moeten de wachtende atleten deze volgorde aanhouden en mag de plaats bij het begin van de wisselzone niet meer worden veranderd. Als een atleet zich hier niet aan houdt, dan moet zijn ploeg worden gediskwalificeerd.

48.5

De wachtende tweede derde en vierde lopers van de 4 x 400m, de 4x 400 m gemengd en de 4 x 800 m, moeten zich, onder toezicht van een daarvoor aangewezen jurylid, in dezelfde volgorde (van binnen naar buiten) opstellen, als die waarin hun aankomende ploeggenoten de finishlijn passeren bij het ingaan van hun laatste ronde. Als de aankomende atleten dit punt eenmaal gepasseerd zijn, moeten de wachtende atleten deze volgorde aanhouden en mag de plaats bij het begin van de wisselzone niet meer worden veranderd. Als een atleet zich hier niet aan houdt, dan moet zijn ploeg worden gediskwalificeerd.

Opmerking

Wegens de eventuele smallere banen, lopen bij korte baan estafettes de atleten veel meer kans op botsingen en onbedoeld hinderen, dan bij estafettes op een 400 m standaard rondbaan. Het is daarom aan te bevelen, indien noodzakelijk en mogelijk, tussen iedere ploeg een baan vrij te houden.

Groene tekst

Om te voorkomen dat de ploeggenoten die nog aan het lopen zijn belemmerd worden, zouden de wachtende atleten door een daarvoor aangewezen jurylid aan de buitenkant van de baan in hun volgorde geplaatst moeten worden en pas nadat de atleet van het laatste team de finishlijn is gepasseerd naar hun uiteindelijke plaats op de baan geleid moeten worden.

49 Hoogspringen

Aanloop en afzetplaats

49.1

Als losse afzetmatten worden gebruikt, moeten alle verwijzingen in de regels naar het niveau van de afzetplaats worden uitgelegd als betrekking hebbend op het niveau van de bovenzijde van de mat.

49.2

De atleet mag zijn aanloop beginnen op het schuine gedeelte van de rondbaan, mits de laatste 15 m van de aanloop voldoet aan de regels TR27.3, TR27.4 en TR27.5.

50 Polsstokhoogspringen

Aanloop

De atleet mag zijn aanloop beginnen op het schuine gedeelte van de rondbaan, mits de laatste 40 m van de aanloop voldoet aan de regels TR28.6 en TR28.7.

51 Horizontale springonderdelen

Aanloop

De atleet mag zijn aanloop beginnen op het schuine gedeelte van de rondbaan, mits de laatste 40 m van de aanloop voldoet aan de regels TR29.1 en TR29.2.

52 Kogelstoten

Landingssector

52.1

De sector moet bestaan uit een geschikt materiaal waarin de kogel een indruk maakt maar dat het stuiteren van de kogel zoveel mogelijk beperkt.

52.2

Daar waar het nodig is om de veiligheid van toeschouwers, juryleden en atleten te verzekeren, moet de sector aan de achterkant en aan de beide zijkanten voorzien zijn van een omheining en / of beschermende netten die zo dicht mogelijk aan de ring aan moeten sluiten. De aanbevolen minimum hoogte van de netten is 4 m en de netten moeten sterk genoeg zijn om een kogel tegen te houden die hetzij rechtstreeks, hetzij door opstuiten vanaf het landingsoppervlak in het net terecht komt.

52.3

Als er slechts een beperkte ruimte is op het wedstrijdterrein, kan er door het aanbrengen van bovenstaande voorzieningen niet voldoende oppervlakte meer beschikbaar zijn voor het uitzetten van een volledige sector van 34,92°. Als deze belemmering zich voordoet, zijn de navolgende bepalingen van kracht:

52.3.1

de voorziening aan het einde van de sector die de kogels moet tegenhouden moet vanaf de ring tenminste 0,50 m verder dan het huidige wereldrecord voor mannen of vrouwen worden aangebracht;

52.3.2

de sectorlijnen moeten aan beide zijden symmetrisch ten opzichte van de middellijn van de 34,92° sector liggen;

52.3.3

de sectorlijnen lopen onder een hoek van 34,92° radiaal vanuit het midden van de kogelstootring totdat de sector een breedte van tenminste 9 m breed is. Vanaf dat punt lopen de sectorlijnen evenwijdig aan de middellijn van de sector.

Groene tekst

Het wordt aanbevolen dat de omheining en beschermende netten binnen 8 m van de ring beginnen en dat de hoogte van de netten voor de verlenging van de omheining minstens 6 m is.

Constructie van de kogel

52.4

Afhankelijk van het soort materiaal dat gebruikt wordt voor de sector (zie regel TR52.1) moeten de kogels zijn gemaakt van massief metaal of met een metalen omhulling of als alternatief, een omhulling van zacht plastic of rubber met een geschikte vulling. Het is niet toegestaan tijdens dezelfde wedstrijd zowel metalen als rubberen kogels te gebruiken.

Kogels van massief metaal of met een metalen omhulling

52.5

Kogels van massief metaal of met een metalen omhulling moeten voldoen aan de bepalingen van de regels TR33.4 en TR33.5.

Kogels met een plastic of rubber omhulling

52.6

Een kogel met een plastic of rubber omhulling moet een vulling hebben van geschikt materiaal, zodat er bij het neerkomen op een normale sportvloer in een sporthal geen schade wordt veroorzaakt. De kogel moet bolvormig zijn en het oppervlak moet glad zijn afgewerkt.

Informatie voor fabrikanten: voor een glad oppervlak moet de variatie in hoogten op het oppervlak minder dan of gelijk aan 1,6 μm zijn d.w.z. een ruwheidsgetal van N7 of minder.

52.7

De indoorkogel moet voldoen aan de volgende specificaties:

Minimum gewicht voor toelating tot wedstrijden en acceptatie voor records3,000 kg4,000 kg5,000 kg6,000 kg7,260 kg
DiameterMin.85 mm95 mm100 mm105 mm110 mm
Max.120 mm130 mm135 mm140 mm145 mm

53 Meerkampen

U18 mannen, U20 mannen en mannen vijfkamp

53.1

De vijfkamp bestaat uit vijf onderdelen die allemaal op één dag moeten worden verwerkt in de volgorde:
60 m horden, verspringen, kogelstoten, hoogspringen en 1 000 m.

U18 mannen, U20 mannen en mannen zevenkamp

53.2

De zevenkamp bestaat uit zeven onderdelen die in twee opeenvolgende perioden van 24 uur moeten worden verwerkt in de volgorde:
eerste periode: 60 m, verspringen, kogelstoten en hoogspringen;
tweede periode: 60 m horden, polsstokhoogspringen en 1 000 m.

U18 vrouwen, U20 vrouwen en vrouwen vijfkamp

53.3

De vijfkamp bestaat uit vijf onderdelen die allemaal op één dag moeten worden verwerkt in de volgorde:
60 m horden, hoogspringen, kogelstoten, verspringen en 800 m.

Series en groepen

53.4

In elke serie of groep moeten bij voorkeur vier of meer en nooit minder dan drie atleten worden geplaatst.