Deel VIII - Crosscountry, Berglopen en Trailrunning
Hoewel de omstandigheden bij de verschillende crosscountrywedstrijden, berglopen en trailrunning sterk kunnen variëren en het dus moeilijk is deze atletiekonderdelen te standaardiseren, is duidelijk geworden dat het succes of juist het ontbreken van succes bepaald wordt door de eigenschappen van het gekozen terrein en de bekwaamheid van de parcoursontwerper. De volgende regels zijn bedoeld als richtlijn en als aansporing voor organisatoren zodat aan crosscountry, berglopen en trailrunning een positieve impuls gegeven kan worden.
56 Crosscountry
Afstanden
56.1 Bij de World Athletics Wereldkampioenschappen crosscountry zijn de aanbevolen afstanden:
Mannen 10 km Vrouwen 10 km
U20 mannen 8 km U20 vrouwen 6 km
De aanbevolen afstanden voor U18-wedstrijden zouden ongeveer moeten zijn:
U18 mannen 6 km U18 vrouwen 4 km
Aanbevolen wordt om min of meer dezelfde afstanden te hanteren bij andere internationale en nationale wedstrijden.
► NED
Zie bijlage 1 voor de afstanden van het NK crosscountry.
Parcours
56.2
Parcours, als volgt:
56.2.1
Het parcours moet uitgezet worden op een open of een bebost terrein dat zoveel mogelijk met gras is bedekt en waarop zich natuurlijke obstakels bevinden, die door de parcoursontwerper gebruikt kunnen worden om een uitdagend en interessant parcours te maken.
56.2.2
Het terrein moet groot genoeg zijn om niet alleen het parcours, maar ook de benodigde faciliteiten te kunnen herbergen.
56.3
Voor kampioenschappen en internationale wedstrijden en, waar mogelijk, voor andere wedstrijden gelden de volgende eisen:
56.3.1
Een rondlopend parcours moet worden uitgezet met een lus waarvan de lengte tussen de 1 500 m en 2 000 m zou moeten zijn. Zo nodig kan er een kleinere lus worden toegevoegd om de benodigde totaalafstanden van de diverse onderdelen (categorieën) aan te kunnen passen. In dit geval moet de kleine lus in de beginfase van de wedstrijd worden gelopen. Aanbevolen wordt dat zich in elke lange lus een stijging bevindt van tenminste 10 m.
56.3.2
Zo mogelijk moet gebruik worden gemaakt van bestaande natuurlijke obstakels. Echter erg hoge obstakels, diepe greppels, gevaarlijke stijgingen of dalingen en dicht kreupelhout en meer algemeen, alle obstakels die een moeilijkheid opleveren die niet passen bij de aard van de wedstrijd, zouden vermeden moeten worden. Bij voorkeur moeten er geen kunstmatige obstakels gebruikt worden. Als dat niet te vermijden is, moeten ze zo gemaakt worden, dat ze lijken op een natuurlijk obstakel dat past in het terrein. Bij wedstrijden met een groot aantal atleten moeten voor een ongehinderde doorgang van de atleten, smalle doorgangen en / of andere hindernissen in de eerste 300 m worden vermeden.
56.3.3
Het oversteken van geasfalteerde wegen of andere soorten verharde wegen moet vermeden worden of in ieder geval tot een minimum beperkt worden. Als op één of twee plaatsen van het parcours het onmogelijk is dit te vermijden, dan moeten deze plaatsen bedekt worden met gras, aarde of matten.
56.3.4
Behalve bij de start en finish mag het parcours geen andere lange rechte stukken bevatten. Een van nature golvend parcours met vloeiende bochten en korte rechte stukken is het meest geschikt.
56.4
Parcoursmarkeringen als volgt:
56.4.1
Het parcours moet duidelijk aan beide zijden met lint worden aangegeven. Aanbevolen wordt, dat er voor het gebruik door officials en media, langs het hele parcours aan één zijde een 1 m brede corridor gemaakt wordt, die goed is afgescheiden van de buitenkant. Belangrijke plaatsen moeten goed afgeschermd worden, vooral het startgebied (inclusief de warming-up zone en de call room) en het finishgebied (inclusief de mixed zone). Alleen personen met een accreditatie hebben toegang tot deze gebieden.
56.4.2
Toeschouwers mogen het parcours alleen oversteken op goed gekozen oversteekplaatsen, begeleid door parcourswachten.
56.4.3
Aanbevolen wordt, met uitzondering van de start- en finishgebieden dat het parcours en elk obstakel tenminste 5 m breed is.
56.5
Om de wisselzone bij crosscountry estafettes aan te geven moeten met een tussenafstand van 20 meter, 300 mm brede lijnen dwars over het parcours geworden aangebracht. Tenzij anders bepaald door de organisatoren, moeten alle wisselprocedures, bestaande uit fysiek contact tussen de inkomende en de vertrekkende atleten, worden voltooid binnen deze wisselzone. Als een atleet deze regel niet volgt, moet zijn team worden gediskwalificeerd.
Er zouden vlaggen van 1 m x 1 m op een hoogte van tenminste 2 m moeten worden geplaatst aan het begin en het eind van de wisselzone; groene vlaggen aan het begin en rode vlaggen aan het eind van de zone.
Start
56.6
De wedstrijd moet worden gestart door het afvuren van een startrevolver, een kanon, een luchthoorn of een soortgelijk apparaat dat een onderscheidend en eenduidig geluid als start signaal voortbrengt dat geschikt is voor de desbetreffende wedstrijd. De startcommando's voor looponderdelen langer dan 400 m moeten hierbij worden gehanteerd (regel TR16.2.2). Bij wedstrijden waaraan een groot aantal atleten deelneemt, zou er op vijf minuten, drie minuten en één minuut vóór de start een signaal afgegeven moeten worden.
Indien mogelijk zouden bij teamwedstrijden startboxen beschikbaar moeten worden gesteld, waarin de leden van ieder team bij de start van de wedstrijd achter elkaar mogen worden opgesteld. Bij andere wedstrijden moeten de atleten zich opstellen zoals door de organisator is vastgesteld. Zodra de starter, na het commando "Op uw plaatsen", er zich van overtuigd heeft dat geen enkele atleet met zijn voet (of enig ander deel van zijn lichaam) de startlijn of de grond voorbij de startlijn raakt, moet hij de race starten.
Als er geen startrevolver, kanon of luchthoorn wordt gebruikt, dan moet het startsignaal vooraf goedgekeurd worden door World Athletics.
Veiligheid
56.7
De organisatoren van crosscountry wedstrijden zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van atleten en officials.
Drink-/spons- en verfrissingposten
56.8
Bij alle crosscountry wedstrijden moeten bij de start en de finish water en andere geschikte verfrissingen beschikbaar zijn. Ook moeten, afhankelijk van de weersomstandigheden, voor elke ronde drink- / sponsposten worden ingericht.
Als de omstandigheden het toestaan en er rekening gehouden wordt met de aard van de wedstrijd, de weersomstandigheden en de conditie van de meeste deelnemers, kunnen langs de route op regelmatige afstanden meer water en sponzen worden neergezet.
De wedstrijd
56.9
Als de scheidsrechter, op aangeven van een jurylid of baancommissaris of op andere wijze, er van overtuigd is dat een atleet het aangegeven parcours verlaten heeft en zo de af te leggen afstand heeft verkleind, dan moet die atleet worden gediskwalificeerd.
Het finishgebied moet zo ruim zijn opgezet, dat meerdere lopers naast elkaar hun eigen weg kunnen gaan naar de finish en lang genoeg om deze te scheiden na het finishen.
Tenzij een transpondersysteem wordt gebruikt, samen met een back-up systeem (zoals bijvoorbeeld video opnamen) om de volgorde van finishen vast te stellen, zouden finishfuiken vanaf zo'n 8 tot 10 m na de finishlijn moeten worden opgezet met een maximale breedte van zo'n 0,70 à 0,80 m. Eenmaal in een fuik moeten atleten elkaar niet meer kunnen passeren. De fuiken, waarin de atleten worden geleid nadat zij de finishlijn passeren, zouden 35 à 40 m lang moeten zijn. Aan het eind van elke fuik noteren juryleden het startnummer of de naam van de atleten en indien van toepassing worden dan de transponders ingenomen.
Aan de fuiken behoren verplaatsbare touwen te zijn bevestigd waarmee de finishende atleten in een andere fuik kunnen worden geleid als er een fuik vol raakt, enz.
Aan iedere kant van de finishlijn staan juryleden en tijdwaarnemers opgesteld en het verdient aanbeveling dat, voor het geval een protest of beroep tegen de aankomstvolgorde wordt ingediend, een official met video apparatuur (liefst met een klok in beeld) enkele meters na de finish staat opgesteld om de volgorde waarin de atleten finishen op te nemen.
57 Berglopen en trailrunning
Berglopen en trailrunning worden gehouden op verschillende soorten natuurlijk terrein (zand, paden met een losse ondergrond, bospaden, smalle voetpaden, paden bedekt met sneeuw, etc.) gelegen in verschillende soorten omgevingen (zoals bergen, bossen, open vlaktes, woestijnen, etc.). Wedstrijden worden overwegend buiten de gebaande paden gehouden, maar stukken met verharde ondergrond (zoals asfalt, beton, steenslag, etc.) die nodig zijn om de paden te bereiken of om de paden met elkaar te verbinden, zijn acceptabel maar moeten tot een minimum worden beperkt en de lengte ervan zou niet meer dan 25% van de totale lengte mogen zijn.
Parcours
57.1
Het parcours moet zodanig zijn gemarkeerd dat de atleten de weg kunnen volgen zonder dat zij over navigatievaardigheden moeten beschikken en dat de snelste lopers ten allen tijde de route gemakkelijk kunnen volgen. Voor berglopen en trailrunning zijn er geen beperkingen aan afstand of hoogteverschillen en het parcours mag rondlopend zijn of van punt naar punt lopen. Uitgezonderd bij Mountain Classic wedstrijden, zou normaal gesproken het parcours een logische ontdekking van een streek moeten zijn en niet bestaan uit meerdere rondjes over hetzelfde terrein.
Het wedstrijd parcours moet nauwkeurig met een GPS apparaat gemeten zijn, waarbij de GPS track file voor alle deelnemers beschikbaar moet zijn.
Veiligheid en omgeving
57.2
De wedstrijdorganisator moet zorgen voor de veiligheid van alle atleten en officials. Er moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden, zoals grote hoogten, wisselende weeromstandigheden en de aanwezige infrastructuur. Bij het plannen van het parcours moet de organisator zorg dragen voor het milieu, zowel tijdens als na de wedstrijd.
Organisatoren moeten er, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, voor zorgen dat ieder deel van het parcours binnen 30 minuten na een noodoproep bereikt kan worden.
Materiaal
57.3
Voor berglopen en trailrunning is geen speciale techniek of specifiek materiaal, zoals bergbeklimmersmateriaal, nodig. De wedstrijdorganisator kan het gebruik van wandelstokken toestaan maar er moet vooraf in de wedstrijdinformatie duidelijk aangegeven worden waar deze zijn toegestaan. Afhankelijk van de verwachte omstandigheden of situaties die tijdens de wedstrijd kunnen optreden, kan de organisator de atleet aanbevelen of verplichten om bepaalde uitrustingsstukken mee te nemen, waarmee de atleet gevaarlijke situaties kan vermijden, of bij een ongeval, hulpverleners kan waarschuwen en in veiligheid hun komst kan afwachten.
Wedstrijdorganisatie
57.4
Voor de veiligheid van de atleten en met het oog op de bijzondere eigenschappen van de wedstrijd, moet de wedstrijdorganisator voorafgaand aan de wedstrijd specifieke bepalingen publiceren, waarin minimaal moet zijn opgenomen:
• Details over de organisator die verantwoordelijk is voor de wedstrijd (naam, contactinformatie die in noodsituaties gebruikt kan worden).
• Het programma van de wedstrijd inclusief starttijden, tijdlimieten alle tussentijden waarna de rest van het parcours gesloten zal worden (indien van toepassing).
• Gedetailleerde informatie over de technische eigenschappen van de wedstrijd: inclusief de totale afstand, totale stijging / daling, beschrijving van de belangrijkste moeilijke stukken van het parcours, en de locaties van de hulpposten samen met de informatie of die bemand of onbemand zullen zijn en de beschikbare verfrissingen.
• Een gedetailleerde plattegrond en hoogteprofiel van het parcours.
• De manier waarop het parcours gemarkeerd is.
• Plaats van de controleposten en van de medische posten (indien van toepassing).
• Toegestane, aanbevolen of verplichte hulpmiddelen (indien van toepassing).
• Regels over assistentie inclusief persoonlijk hulp bij de hulpposten en hulp van gangmakers.
• Veiligheidsregels waaraan men zich moet houden.
• Regels t.a.v. straffen en diskwalificatie.
Start
57.5
Bij berglopen en trailrunning is er vrijwel altijd een massastart. Lopers kunnen ook starten gescheiden naar geslacht of leeftijdscategorieën. De startcommando’s voor looponderdelen langer dan 400 m moeten worden gehanteerd (regel TR16.2.2). Bij wedstrijden waaraan een groot aantal atleten deelneemt, mag op vijf minuten, drie minuten en één minuut vóór de start een signaal afgegeven worden. Er kan ook 10 seconden worden afgeteld naar de start. Als het parcours bijzonder smal is kan een “trial style” start worden toegepast. Als dit het geval is, moet dit duidelijk vooraf in de wedstrijdinformatie worden aangegeven.
Gedrag tijdens de wedstrijd
57.6
Als de scheidsrechter, op aangeven van een jurylid of parcourscommmissaris of op andere wijze, er van overtuigd is dat een atleet
• het aangegeven parcours heeft verlaten en zo de af te leggen afstand heeft verkleind;
• enige vorm van assistentie krijgt, zoals hazen (tenzij dit bij die wedstrijd expliciet is toegestaan), aanreiken van verfrissingen buiten de officiële hulpposten;
• zich niet houdt aan de specifiek wedstrijdbepalingen;
dan moet die atleet worden gediskwalificeerd, of worden gestraft volgens de regels die hierover in de specifieke wedstrijdbepalingen zijn vastgelegd.
Finish
57.7
De wedstrijdorganisator moet zeker stellen dat de lopers voor de wedstrijd weten of gelijk eindigen is toegestaan. Als hierover niets is bepaald door de wedstrijdorganisator, dan is gelijk eindigen toegestaan als de bedoeling door de atleten aan de finishlijn wordt duidelijk gemaakt.
Verstoring van de wedstrijd
57.8
Wedstrijdorganisatoren moeten ervoor zorgen dat het publiek en vertegenwoordigers van de media (bijvoorbeeld cameramensen te voet of op de fiets) de wedstrijd niet beïnvloeden en ook geen enkele vorm van assistentie verlenen (zoals ook informatie over de andere lopers), informatie die alleen bij hun bekend is door hun plaats op het parcours. Lopende cameramensen moeten zich altijd achter de lopers die zij volgen bevinden en zij moeten duidelijk te herkennen zijn (bijv. door specifiek gekleurde hesjes) om hen te kunnen onderscheiden van de wedstrijdlopers en het publiek.
Evaluatie van berglopen en trail races
57.9
Door de aard van berglopen en trail races zijn er geen standaard afstanden of parcours profielen. Wedstrijden mogen ook in de vorm van estafettes worden georganiseerd, waarbij de deelnemers of dezelfde ronde van het parcours of verschillende delen van het totale parcours lopen (zoals bij de Ekiden).
ITRA classificeert de races op basis van het moeilijkheidsniveau en de rekenmethode is gebaseerd op het begrip “km-effort”; de totale “km-effort” van een race wordt verkregen door rekening te houden met en de optelling te maken van zowel de afstand als de stijging als volgt:
Afstand: iedere km = 1 “km-effort”,
Stijging: iedere 100 m stijging = 1 “km-effort”.
Zo is bijvoorbeeld de “km-effort” van een race over 65 km en een stijging van 3500 m: 65 + 3500/100 = 100 “km-effort”. Iedere race wordt dan op moeilijkheidsniveau geclassificeerd op basis van de hoeveelheid “km-effort”.
Moeilijkheidspunten lopen als volgt van 0 tot 6:
| “km-effort” | moeilijkheidspunten |
|---|---|
| 0-24 | 0 |
| 25-44 | 1 |
| 45-74 | 2 |
| 75-114 | 3 |
| 115-154 | 4 |
| 155-209 | 5 |
| 210+ | 6 |
Internationale wedstrijden
57.10
Naast de algemene regels zoals hierboven beschreven, zouden internationale en regionale kampioenschappen de technische richtlijnen voor “World Mountain and Trail Running Championships” moeten volgen. De volgende terminologie, die veelvuldig wordt gebruikt en wijdverspreid is, wordt gebruikt om tot een indeling van internationale wedstrijden te komen.
• Bergop – een race die voornamelijk bergop gaat en die normaalgesproken niet langer dan 60 minuten duurt;
• Klassiek – een race met stijgingen en dalingen tot een maximale lengte van 30 km;
• Korte trail - een race met stijgingen en dalingen met een lengte van 30 tot 60 km;
• Lange trail - een race met stijgingen en dalingen met een lengte van meer dan 60 km;
De eisen die aan een “World Mountain and Trail Running Championship” race worden gesteld, zijn:
| Race | Afstand | Stijging | Ideale winnende tijd voor mannen |
|---|---|---|---|
| Lange trail | 75-85 km | 3.500-6.000 m | 7 u 45’ – 8 u 15’ |
| Korte trail | 35-45 km | 2.000-3.000 m | 3 u 45’ – 4 u 15’ |
| Senior klassiek (bergop-bergaf) | 12-15 km | 600-900 m | 55-60 minuten |
| U-20 klassiek (bergop-bergaf) | 5-7 km | 300-450 m | 25-30 minuten |
| Senior bergop | 4-7 km | 700-1.000 m (gemiddelde stijging > 10%) | 40-50 minuten |
► NED
Het parcours moet aan de rechterzijde duidelijk gemarkeerd zijn. Het parcours moet zoveel mogelijk klim- en daalkilometers bevatten met minimaal één stijging van 40 m over een afstand van 500m. Gemiddeld moet er over het parcours 30 m stijging per km zijn. Maximaal 25 % van het parcours mag vlak zijn. Voor een dalend parcours geldt: geen stenen traptreden; geen los gesteente; niet steiler dan 30 %.
Het parcours moet een zodanige lengte hebben dat de tijd van de winnaar binnen de aangegeven marge ligt:
- Mannen / mannen masters (kort): 30-45 minuten
- Mannen / mannen masters (lang): 60-90 minuten
- U20 mannen: 25-40 minuten
- Vrouwen / vrouwen masters: 25-40 minuten
- U20 vrouwen: 20-35 minuten