Ga naar hoofdinhoud
Versie: 2025-04

Baanonderdelen

10 Rolstoelraces (WPA Rule 14)

10.1 Algemene bepalingen rolstoelen (WPA Rule 14.1)

a. De racestoel moet twee (2) grote achterwielen hebben en een (1) klein voorwiel.
b. Alle racestoelen moeten om veiligheidsredenen een remsysteem hebben.
c. Mechanische versnellingen om de voorstuwing te bevorderen zijn niet toegestaan.
d. Het gebruik van spiegels is niet toegestaan.
e. In alle races moet de atleet in staat zijn het / de voorwiel(en) handmatig naar links of rechts te bewegen om te sturen. Alleen handmatige systemen zijn toegestaan.
f. Het gebruik van stroomlijnende of vergelijkbare materialen met als doel de aerodynamische uitvoering te verbeteren, is niet toegestaan.
g. Geen enkel onderdeel van de racestoel (inclusief de losse onderdelen) mag prestatie bevorderend werken door energie op te slaan (bijvoorbeeld door elasticiteit).
h. Apparaten die aan de racestoel bevestigd zijn, moeten voldoen aan de assistentieregels en mogen de communicatie met anderen niet mogelijk maken.

10.2 Bepalingen voor wedstrijdstoelen (WPA Rule 14.2)

a. Geen enkel deel van het frame van de rolstoel, of alles wat daaraan bevestigd is, mag naar de voorkant uitsteken voorbij de naaf in het voorwiel en naar achteren niet uitsteken buiten het uiterste verticale vlak van de achterwielen (inclusief de banden). Verder mag het frame en alles wat daaraan bevestigd is niet breder zijn dan de afstand tussen de vlakken door de aandrijfhoepels.
b. De hoogte vanaf de grond tot aan de onderzijde van de rolstoel mag maximaal 50 cm bedragen. Voor veiligheidsdoeleinden moet de framestructuur bestaan uit materiaal dat voldoende stabiliteit verschaft.
c. Het frame bevat een stoel.
d. Zijbeschermingsonderdelen bij de wielen ter bescherming van de atleet zijn toegestaan.

10.3 Bepalingen voor de wiel- en duwringen (WPA Rule 14.3 tot en met 14.6)

a. De diameter van het grote wiel mag (inclusief opgepompte band) niet groter dan 0,70 m zijn en van het kleine wiel (inclusief opgepompte pand) niet groter dan 0,50 m (klassen T51-T54). Er is slechts 1 ronde duwring toegestaan per grote wiel.
b. De racestoelen worden gecontroleerd in de call room. Ze mogen opnieuw beoordeeld worden door de dienstdoende scheidsrechter of andere officials, zowel voor als na de wedstrijd.
c. Het is de verantwoordelijkheid van de atleet om te zorgen dat zijn stoel aan de eisen voldoet. Het programma wordt niet verlaat als er aanpassingen aan de stoel van een atleet noodzakelijk zijn. Als de stoel van de atleet niet aan de eisen voldoet, dan mag de atleet niet starten. In de uitslagen wordt dan "DNS" opgenomen.
d. Als de scheidsrechter er van overtuigd is dat de stoel en / of de atleet die hem gebruikt een veiligheidsrisico vormt, dan mag hij de atleet diskwalificeren.

10.4 Bepalingen voor Frame Running stoelen (WPA Rule 14.7)

a. Raceframes voor Frame Running (klassen T71-T72) moeten een zadel, een ondersteuningsplaat voor het lichaam, handvatten, twee achterwielen en een voorwiel hebben.
b. Alle racestoelen moeten om veiligheidsredenen een remsysteem hebben.
c. Mechanische versnellingen om de voorstuwing te bevorderen zijn niet toegestaan.
d. Het gebruik van spiegels is niet toegestaan.
e. In alle races moet de atleet in staat zijn de voorwiel(en) handmatig naar links of rechts te bewegen om te sturen. Alleen handmatige systemen zijn toegestaan.
f. Het gebruik van stroomlijnende of vergelijkbare materialen met als doel de aerodynamische uitvoering te verbeteren, is niet toegestaan.
g. Geen enkel onderdeel van de racestoel (inclusief de losse onderdelen) mag prestatie bevorderend werken door energie aan te maken.
h. Apparaten die aan de racestoel bevestigd zijn, moeten voldoen aan de assistentieregels en mogen de communicatie met anderen niet mogelijk maken.

10.5 Frame Running stoelbepalingen (WPA Rule 14.8)

a. Het middenstuk van de rolstoel mag in de lengte niet uitsteken voorbij de naaf in de voorwiel en in de breedte niet uitsteken buiten de achterassen. Verder mag er niets achter het verlengde van de achterwielen uitsteken.
b. De maximale lengte van een Frame Running stoel is 2,00 m; de maximale breedte 0,95 m.
c. Wegens veiligheidseisen moet de structuur van het frame bestaan uit materiaal dat voldoende stabiliteit verschaft.
d. Het frame bevat een zadel. De vorm mag afwijken van de traditionele racezadels.
e. Om de stabiliteit te bevorderen moet het frame een plaat bevatten die het lichaam ondersteunt.

10.6 Wielbepalingen Race Running (WPA Rule 14.9 tot en met 14.12)

a. De diameter van de wielen mag (inclusief opgepompte band) niet groter dan 0,72 m zijn.
b. De achterwielen mogen alleen aan de binnenkant wielbeschermers bevatten.
c. De racestoelen worden gecontroleerd in de call room.
d. Het is de verantwoordelijkheid van de atleet om te zorgen dat zijn stoel aan de eisen voldoet. Het programma wordt niet verlaat als er aanpassingen aan de stoel van een atleet noodzakelijk zijn. Als de stoel van de atleet niet aan de eisen voldoet, dan mag de atleet niet starten. In de uitslagen wordt dan "DNS" opgenomen.
e. Alle atleten die deelnemen aan Race Running wedstrijden in de klassen T 71 en T 72 bewegen zich voort met hun voeten. Dit kan zowel voorwaarts als achterwaarts gebeuren.

11 Startblokken (WPA Rule 16)

11.1

Het gebruik van startblokken is optioneel voor atleten in de klassen T35-38, T42-47, T61-64 en T71-72 in alle wedstrijden tot en met 400m (inclusief de eerste loper bij de 4 x 100m, 4 x 200m en 4 x 400m voor ambulanten).

Het gebruik is wel verplicht voor atleten in de klassen T11-13 en T20.

Het startblok dient binnen de toegewezen baan te worden geplaatst. Het achterste stuk mag evenwel uitsteken buiten de lijn van de baan rechts van de atleet, onder de voorwaarde dat er geen voordeel wordt verkregen.

11.2

Het gebruik van de voetplaten is niet vereist voor atleten in de klassen T35-38, T42-44 en T61-64.

11.3

Bij IPC Games en IPC competitions is voor de klassen T11-13 en T20 vereist dat de startblokken verbonden zijn met een door WA goedgekeurd start informatie systeem. Bij alle andere wedstrijden wordt het aanbevolen.

11.4

De lokale organisatie mag bepalen dat alleen door hen ter beschikking gestelde startblokken worden gebruikt.

11.5

Atleten in de klassen T20, T35-38, T42-47, T61-64 en T71-72 mogen vragen of hun startblokken geprepareerd worden door een startcommissaris. De technisch gedelegeerde zorgt voor een document waarin de betreffende gegevens staan.

12 De start (WPA Rule 17)

12.1

De regels met betrekking tot de start hebben voor blinde atleten klasse T11 en T12 zowel betrekking op de atleet als zijn gids(en).

12.2

Voor atleten in de klassen T11-13 en T 20 geldt dat de start gehurkt dient plaats te hebben. Beiden handen en ten minste één knie in contact met de grond en beide voeten in contact staan met de voetplaten van het startblok. Dit geldt in alle wedstrijden tot en met 400m (inclusief de eerste loper bij de 4 x 100m, 4 x 200m en 4 x 400m voor ambulanten).

Het gebruik van startblokken is voor deze klassen verplicht.

12.3

ngeval er sprake is van rolstoelraces (klassen T33-34 en T51-54), en ook voor Frame Running races (klassen T71-72), zijn de volgende commando's en posities vereist. Na het commando "op uw plaatsen" moet een atleet zijn positie achter de startlijn innemen. Na het commando "klaar" moet de atleet onmiddellijk zijn uiteindelijke startpositie innemen, waarbij de stoel contact met de grond moet hebben achter de lijn.

12.4

In rolstoel- en Frame Running races van 800 m en langer heeft de starter het recht de atleten terug te schieten voor een herstart als er sprake is van een botsing tussen atleten in de eerste 50 m (hij is overigens niet verplicht om dit te doen). Dit laat onverlet de bevoegdheid van de scheidsrechter om passende maatregelen te treffen op basis van ontvangen rapporten.

13 De wedstrijd (WPA Rule 18)

13.1

De regels met betrekking tot de wedstrijd hebben voor blinde atleten klasse T11 en T12 zowel betrekking op de atleet als zijn gids(en).

13.2

Bij rolstoelraces leidt voortbeweging anders dan door de duwringen te gebruiken, tot diskwalificatie.

13.3

Bij rolstoelraces geldt dat een atleet die een andere atleet inhaalt, verantwoordelijkheid voor de correcte invoeging draagt tot het moment waarop hij de in te halen rolstoel geheel voorbij is ("full clearance"). De rolstoeler die ingehaald wordt mag echter de inhalende atleet niet hinderen vanaf het moment waarop de ingehaalde atleet het voorwiel van de inhalende atleet in zicht heeft.

13.4 Buiten de banen lopen

13.4.1

Bij alle looponderdelen waarbij in aparte banen wordt gelopen moet de atleet of zijn gids vanaf de start tot de finish binnen de toegewezen baan blijven. Dit geldt ook voor de racestoel (bij rolstoel- en frame running races) en het gedeelte van een looponderdeel waarbij in aparte banen wordt gelopen.

13.4.2

Bij alle looponderdelen (of gedeelten van looponderdelen) waarbij niet in banen wordt gelopen, mag een atleet of zijn gids in een bocht, in de buitenste helft van de baan niet stappen,lopen of rijden (ingeval van rolstoel- of frame running races) op of binnen de rand of lijn die de van toepassing zijnde begrenzing aangeeft (de binnenkant van de baan, de buitenste helft van de baan).

Als de scheidsrechter, na melding van een jurylid, een baancommissaris of op andere wijze, ervan overtuigd is dat een atleet of zijn gids deze regel heeft overtreden, dan moet - met uitzondering van de gevallen zoals beschreven in regel 13.5 hierna - die atleet (of in het geval van een estafette zijn team), worden gediskwalificeerd.

13.5

Een atleet of zijn gids (of in het geval van een estafette: zijn team) moet niet worden gediskwalificeerd voor buiten zijn lanen lopen of rijden als hij:

a. Wordt geduwd of door een andere persoon wordt gedwongen om buiten zijn baan te stappen, lopen of rijden op of binnen de lijn die de van toepassing zijnde begrenzing aangeeft of,

b. Buiten zijn baan stapt, loopt of rijdt, op het rechte stuk, of in de bocht voorbij de lijn aan de buitenzijde van zijn baan,

c. In alle races die in banen gelopen worden één keer de linker lijn of de rand of de lijn die in een bocht de van toepassing zijnde begrenzing aangeeft (zoals gedefinieerd in regel 13.4.2 hiervoor), raakt of overschrijdt.

Ingeval van rolstoelraces de tijd gedurende welke het wiel van de racestoel contact heeft met de lijn niet langer is dan de tijd benodigd om twee pushes met de duwring van de racestoel te maken, gerekend vanaf het moment dat de racestoel voor het eerst contact maakt met de lijn.

Ingeval van frame running races de tijd gedurende welke het wiel van de frame running stoel contact heeft met de lijn niet langer is dan de tijd benodigd om een tweetal stappen te maken, gerekend vanaf het moment dat de frame running stoel voor het eerst contact maakt met de lijn.

d. In alle races (of ieder deel van die races) die niet in banen worden gelopen, één keer op of volledig over de rand of lijn die de van toepassing zijnde begrenzing in een bocht aangeeft (zoals gedefinieerd in regel 13.4.2 hiervoor),

Als daardoor geen wezenlijk voordeel wordt verkregen en geen andere atleten worden geduwd of gehinderd waarbij hun voortgang wordt belemmerd. Als hierdoor wezenlijk voordeel wordt verkregen moet de atleet, zijn gids of het team worden gediskwalificeerd.

In races die over meerdere ronden worden gehouden, mag een overtreding zoals gedefinieerd hiervoor onder regel 13.5.c en regel 13.5.d in al die ronden van dat onderdeel slechts één keer door de desbetreffende atleet of gids worden gemaakt zonder dat die atleet of gids gediskwalificeerd wordt. Bij een tweede overtreding van diezelfde atleet, of die nu gemaakt wordt in dezelfde ronde of in een andere ronde van dat onderdeel moet die atleet of zijn gids gediskwalificeerd worden.

Bij estafettewedstrijden zal iedere tweede aanraking van de lijn (zie onder regel 13.5.c. en regel 13.5.d. hiervoor) door een atleet die lid is van een team, onafhankelijk van het feit of die overtreding gemaakt wordt door dezelfde of door een ander lid van dat team, diskwalificatie van het team tot gevolg hebben, of die overtreding nu gemaakt wordt in de zelfde ronde of in een andere ronde van hetzelfde onderdeel.

13.6

Bij IPC Games en IPC competitions moet de 800 m in aparte banen worden gelopen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn, waar de lopers hun respectievelijke banen mogen verlaten.

13.7

Bij de overgangslijn moet bij rolstoelraces en frame running races aan beide zijden van de overgangslijn een 1,50 m hoge vlag geplaatst worden. De rolstoelers mogen naar binnen gaan wanneer de onderkant van beide achterwielen de grond raakt voorbij de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn.

Bij de overgangslijn moet bij rolstoelraces en frame running races aan beide zijden van de overgangslijn een 1,50m hoge vlag geplaatst worden.

13.8

De baan van atleten in de klassen T11 en T12 bestaat voor looponderdelen die geheel of ten dele in banen worden gelopen, uit twee samengevoegde banen. Bij wedstrijd met een versprongen start moet de startlijn beginnen in de banen 1, 3, 5 en 7.

13.9

Atleten in de klasse T12 mogen bij wedstrijden van 800 m en meer assistentie ontvangen van andere dan wedstrijdofficials. Deze mogen tussentijden doorgeven vanaf een gemarkeerde plaats binnen het wedstrijdterrein grenzend aan de startlijn. De plaats wordt door de technisch gedelegeerde bepaald.

14 De finish (WPA Rule 19)

14.1

Bij rolstoelraces wordt de uitslag bepaald door de volgorde waarin het middelpunt van de naaf van het voorwiel het verticale vlak bereikt dat zich bevindt aan de kant van de finishlijn, het dichtst bij de start.

14.2

Bij wedstrijden van klasse T11 en T12 atleten die met een gids lopen, dient de atleet te finishen vóór de gids, op straffe van diskwalificatie. Als er fotofinishapparatuur beschikbaar is, zal de chef fotofinish hier op toezien en de diskwalificatie uitspreken. In alle andere gevallen zal de scheidsrechter lopen tot diskwalificatie overgaan.

14.3

Bij rolstoelraces van 1 500 m en langer kunnen tijdslimieten ingesteld worden. Bij het verstrijken van de tijdslimiet krijgen de atleten die de limiet overschrijden DNF achter hun naam. De scheidsrechter heeft het recht atleten uit de wedstrijd te halen die op een ronde achterstand gezet zijn.

15 Estafettes (WPA Rule 23)

15.1

Bij rolstoelestafettes (T33-34, T51-52 en T53-54), ambulante estafettes (T42-47, T61-64) en de 4 x 100 m universele estafette vindt de overdracht plaats door een aanraking van een willekeurig deel van het lichaam van de vertrekkende atleet. De eerste aanraking moet binnen de wisselzone plaatsvinden. De vertrekkende atleet duwen om zo een voordeel te bemachtigen leidt tot diskwalificatie. Daarbij wordt de helm die rolstoelatleten dragen beschouwd als onderdeel van het lichaam.

15.2 Bij estafettes voor blinden, klasse T11-T13

a. Maakt het niet uit of de atleet dan wel de gids de stok draagt.
b. Mag de stok overgedragen worden aan de atleet of de gids, voor zover de toegestane methode van gidsen maar nageleefd wordt.
c. Een correcte overdracht van de stok heeft plaats als deze overdracht binnen het wisselvak heeft plaatsgehad.
d. Het is toegestaan dat de vertrekkende atleet of gids terugkeert naar het wisselvak om de stok in ontvangst te nemen (bijvoorbeeld omdat hij te vroeg vertrok).
e. Het is toegestaan dat er per wisselvak een assistent helpt met de positionering van de klasse T12-atleet ingeval die zonder gids loopt. De assistent moet het wisselvak verlaten voor de start van de serie en moet op een door de officials aangewezen plaats blijven waar hij het verloop van de wedstrijd niet kan beïnvloeden. Als deze regel overtreden wordt, dan moet de atleet gewaarschuwd of gediskwalificeerd worden.

15.3

Bij rolstoelestafettes, estafettes in de klassen T11-13 (met gidsen) en de 4 x 100 m universele estafette, waarbij in banen wordt gelopen, zal ieder team een tweetal samengevoegde banen toegewezen krijgen. De lijnen van de binnenste baan zullen worden doorgetrokken naar de buitenste baan om de afstanden en de overgangslijnen weer te geven. Daarbij vormen de banen 1, 3, 5 en 7 de binnenste banen. De doorgetrokken lijnen worden met tape van dezelfde kleur en breedte als de bestaande lijnen gerealiseerd.

15.4 Teamsamenstelling estafettes

In WPA wedstrijden gelden de volgende richtlijnen voor de samenstelling van estafetteteams:

15.4.1 Estafettes voor sportklassen

a. T11-T13 estafettes. In een team dient minimaal één atleet uit klasse T11 deel te nemen. Het aantal klasse T13 atleten mag maximaal 1 zijn.
b. T33-34 estafettes. In een team dient minimaal één atleet uit klasse T33 deel te nemen.
c. T35-38 estafettes. In een team mogen maximaal twee atleten uit klasse T38 deelnemen.
d. T42-47 en T61-64 estafettes. In een team mogen maximaal twee atleten uit klasse T46/47 deelnemen.
e. T51-52 estafettes. In een team dient minimaal één atleet uit klasse T51 deel te nemen. f. T53-54 estafettes. In een team dient minimaal één atleet uit klasse T53 deel te nemen.

15.4.2 Universele estafettes

a. Ieder team dient te bestaan uit twee mannen en twee vrouwen.
b. Maximaal twee atleten moeten geselecteerd worden uit de sportklassen 13, T46/47, T38 of T54,
c. De resterende twee plaatsen moeten uit de overige sportklassen geselecteerd worden.
d. De volgorde waarin de atleten uit de diverse klassen deelnemen ziet er als volgt uit:

  • Eerste atleet: T11-13 atleten
  • Tweede atleet: T42-47, T61-64
  • Derde atleet: T 35-38
  • Vierde atleet: T33-34, T51-54.

15.5

Bij rolstoelestafettes die niet of niet geheel in banen gereden worden, krijgen de vertrekkende atleten een dubbele baan toegewezen op dezelfde manier als bij valide en ambulante atleten. In tegenstelling tot valide en ambulante atleten mogen rolstoelatleten niet naar binnen toe aanschuiven. De wissel moet plaats vinden in de toegewezen banen.

De wisselpuntcommissarissen moeten er voor zorgen dat bij elke wissel de voeten, prothesen en beide achterwielen van de vertrekkende atleten geheel binnen de wisselzone zijn voordat zij beginnen met hun beweging die eindigt of met het overnemen van het stokje of met het aantikken. Deze beweging mag op geen enkel punt buiten de wisselzone beginnen.