Ga naar hoofdinhoud
Versie: 2025-04

Deel II - Looponderdelen

De regels TR17.1, TR17.6 (behalve in de regels TR54.12 en TR55.9), TR17.14, TR18.2, TR19 en TR21.1 zijn ook van toepassing op de Afdelingen VI, VII en VIII van de Technische Regels.

14 Baanmetingen

14.1

De lengte van een standaard baan moet 400 m zijn ("400 m standaard rondbaan"). De baan moet bestaan uit twee parallel lopende rechte einden en twee bochten waarvan de stralen gelijk zijn.

De binnenzijde van de rondbaan moet zijn afgezet met een witte opstaande rand van daarvoor geschikt materiaal, met een hoogte van 50 mm tot 65 mm en een breedte van 50 mm tot 250 mm. De opstaande rand langs de rechte stukken van de baan mag worden weggelaten en worden vervangen door een witte lijn met een breedte van 50 mm.

Als in een bocht een deel van de opstaande rand tijdelijk verwijderd moet worden voor de verwerking van een technisch onderdeel, moet de binnenzijde van de baan op die plaats op het baanoppervlak worden aangegeven met een 50 mm brede witte lijn en met pylonen of vlaggen met een minimum hoogte van 0,15 m. De pylonen of vlaggen moeten op een onderlinge afstand van niet meer dan 4 m (2 m op het gebogen deel van de lijn naar en van de waterbak als die aan de binnenkant van de baan ligt) op de witte lijn geplaatst worden, zo dat het grondvlak van de pylonen of vlaggen samenvalt met de rand van de witte lijn die het dichtst bij de baan ligt. (Vlaggen moeten onder een hoek van 60º met het binnenterrein geplaatst worden). Het voorgaande (inclusief de optie van een tijdelijke opstaande rand) geldt ook voor het gebogen deel van de steeplechase waar de atleten vanaf de rondbaan komen om over de waterbak te springen, voor het buitenste gedeelte van de rondbaan in de gevallen waarbij gestart wordt volgens regel TR17.5.2 en eventueel voor de rechte stukken waar de rand is verwijderd. In het laatste geval mag de onderlinge afstand tussen pylonen of vlaggen niet meer dan 10 m zijn.

Opmerking

Alle punten op de lijn aan de binnenkant van de baan, waar de baan overgaat van gebogen naar recht of van recht naar gebogen, moeten door de landmeter worden gemarkeerd door op de witte lijn een vlak van 50 mm x 50 mm in een afwijkende kleur aan te brengen; tijdens de wedstrijd moet op of zo dicht mogelijk bij die punten een pylon worden geplaatst.

14.2

De lengte van de baan moet worden opgemeten op een afstand van 0,30 m vanuit de rand of - als er in een bocht geen rand is aangebracht (zoals ook bij de baan die naar en van de waterbak van de steeplechase leidt) - op 0,20 m van de witte lijn, die de binnenkant van de baan aangeeft.

Fig. TR 14 - Afmetingen loopbaan (aanzicht vanaf de buiten
kant van de baan)

14.3

De wedstrijdafstand moet worden gemeten van de kant van de startlijn, die het verst van de finish ligt, tot de kant van de finishlijn, die het dichtst bij de start ligt.

14.4

Bij alle looponderdelen tot en met 400 m moet elke atleet een eigen baan hebben met een breedte van 1,22 m ± 0,01 m (inclusief de lijn aan de rechterzijde van de baan) die gemarkeerd is met witte lijnen van 50 mm breed. Alle banen moeten even breed zijn. De binnenbaan moet worden gemeten zoals in regel 14.2 is aangegeven, de overige banen worden gemeten op 0,20 m vanaf de buitenkant van de witte lijn, die de naastliggende binnenste baan markeert.

14.5

Bij wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition moet de rondbaan bij voorkeur uit minimaal acht banen bestaan.

14.6

De helling in de breedterichting van de baan in de richting van de binnenrand van de baan mag niet meer dan 1:100 (1%) zijn tenzij er zich speciale omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat World Athletics een uitzondering toestaat. De totale neerwaartse helling van de baan mag in de looprichting tussen elke start- en finishlijn niet meer dan 1:1 000 (0,1%) zijn.

14.7

De volledige technische informatie over de constructie van de baan en de markeringen wordt beschreven in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual" (in het Supplement hierop van de Atletiekunie en in het Atletiekunie belijningsplan). Deze regel geeft alleen de basisprincipes zoals die gevolgd moeten worden.

Groene tekst

Het tijdelijk weghalen van de opstaande baanrand om zo een eerlijk en efficiënt verloop van technische onderdelen mogelijk te maken, moet tot een minimum worden beperkt.
Kleuren die worden gebruikt voor de baanmarkeringen worden beschreven in het Track Marking Plan dat deel uitmaakt van de World Athletics "Track and Field Facilities Manual".

15 Startblokken

15.1

Bij alle looponderdelen tot en met 400 m (inclusief de eerste loper bij de 4 x 200 m, de medley relay, de 4 x 400 m en de Zweedse estafette) moeten startblokken worden gebruikt. Bij alle andere looponderdelen mogen geen startblokken worden gebruikt. Van de voor de start gereedliggende startblokken mag geen enkel deel de startlijn overlappen of uitsteken buiten de toegewezen baan, met als uitzondering dat het achterste gedeelte van het frame mag uitsteken voorbij de rechter lijn van die baan, als daardoor andere atleten niet worden gehinderd.

15.2

Startblokken moeten aan de volgende eisen voldoen:

15.2.1

De startblokken moeten bestaan uit twee voetplaten, waar de atleet in de startpositie zijn voeten tegenaan plaatst en die moeten zijn gemonteerd op een onbuigzaam frame. De constructie van het frame moet geheel onbuigzaam zijn en mag de atleet geen oneerlijk voordeel verschaffen. Het frame mag, bij het verlaten van de blokken, op geen enkele manier een obstakel vormen voor de voeten van de atleet.

15.2.2

De voetplaten moeten onder een hoek zijn geplaatst, die past bij de starthouding van de atleet. Zij mogen vlak of enigszins hol zijn. Het oppervlak van de voetplaten moet geschikt zijn om er de punten van de spikes in te plaatsen, óf door gleuven óf door inkepingen, dan wel door het oppervlak te bekleden met materiaal dat geschikt is voor het gebruik van spikes.

15.2.3

De bevestiging van de voetplaten aan het frame mag instelbaar zijn, maar wel zodanig, dat tijdens de start geen beweging mogelijk is. In ieder geval moeten de voetplaten afzonderlijk van elkaar zowel in voorwaartse als achterwaartse richting verplaatsbaar zijn. De platen moeten worden vastgezet met stevige klemmen of met een sluitmechanisme, dat gemakkelijk en snel door de atleet kan worden bediend.

15.2.4

Ze moeten met een aantal pennen of punten zodanig worden vastgezet, dat ze de minst mogelijke schade aan de baan toebrengen. De startblokken moeten snel en gemakkelijk weer kunnen worden verwijderd. Het aantal, de dikte en de lengte van de pennen of punten is afhankelijk van de constructie van de baan. De verankering moet zodanig zijn dat de startblokken tijdens de start niet kunnen bewegen.

15.2.5

Als een atleet zijn eigen startblokken wil gebruiken, moeten die voldoen aan de bepalingen van dit reglement. Aan het ontwerp en de constructie van die startblokken worden geen eisen gesteld, zolang andere atleten er niet door worden gehinderd.

15.3

Bij wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition en voor alle prestaties die voor erkenning van een wereldrecord volgens regel WR32 worden ingediend, moeten startblokken worden gebruikt die zijn verbonden met een door World Athletics goedgekeurd startinformatiesysteem. Dit systeem wordt eveneens sterk aanbevolen voor andere wedstrijden.

Opmerking

Daarnaast mag ook een automatisch recall systeem worden gebruikt, mits dit voldoet aan de reglementen.

15.4 Bij wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition moeten de atleten de startblokken gebruiken die door de organisatoren ter beschikking zijn gesteld. In andere wedstrijden die op kunststofbanen worden gehouden, hebben de organisatoren het recht te eisen dat uitsluitend startblokken worden gebruikt die door de organisatoren ter beschikking zijn gesteld.

Groene tekst

Deze regel moet tevens zo worden geïnterpreteerd dat:
a. geen enkel deel van het frame of de voetplaten de startlijn mag overlappen;
b. alleen het frame (maar geen enkel deel van de voetplaat) mag uitsteken in de rechts naastliggende baan, zolang er geen hinder van wordt ondervonden. Dit geeft de gangbare praktijk weer dat bij de start in een bocht, atleten hun blokken schuin neerzetten om meteen na de start hun ideale lijn te lopen.
Het gebruik van lampen, uitsluitend door dove en / of slechthorende atleten, bij de start van wedstrijden is toegestaan en wordt niet gezien als assistentie. Het is echter de zaak van de atleet of zijn team, dat dergelijke apparatuur wordt bekostigd en geleverd en dat het compatibel is met het gebruikte startsysteem, tenzij er bij een specifieke wedstrijd een technische partner is aangewezen die daarin kan voorzien.

16 De start

16.1

De start van een looponderdeel wordt aangegeven door een 50 mm brede witte lijn. Bij alle looponderdelen, die niet in aparte banen worden gelopen, moet de startlijn in een zodanige boog worden uitgezet dat alle atleten dezelfde afstand naar de finish afleggen. Bij alle afstanden moeten de startposities, kijkend in de looprichting, genummerd zijn van links naar rechts.

Opmerking (i)

In het geval van looponderdelen die buiten het stadion gestart worden, mag de startlijn maximaal 0,30 m breed zijn en van een willekeurige kleur, zolang die duidelijk contrasteert met het oppervlak van het startgebied.

Opmerking (ii)

de startlijn van de 1 500 m of iedere andere gebogen startlijn mag voorbij de buitenbaan worden verlengd als daar tenminste dezelfde kunststof ondergrond beschikbaar is.

Groene tekst

Om de startprocedure zo efficiënt mogelijk te laten verlopen en om bij grotere wedstrijden de deelnemers zo goed mogelijk voor te kunnen stellen wordt verwacht dat de atleten worden opgesteld met het gezicht in de looprichting.

16.2

Bij alle wedstrijden die vallen onder paragraaf 1. (a), (b), (c) en (d) en 2. (d) van de definitie van World Rankings Competition moeten de commando's van de starter uitsluitend in het Engels worden gegeven. Bij alle andere wedstrijden moeten de commando's worden gegeven in zijn eigen taal, in het Engels of in het Frans.

16.2.1

In wedstrijden tot en met 400 m (inclusief de 4 x 200 m, de medley relay, zoals gedefinieerd in regel TR24.1, de 4 x 400 m en de Zweedse estafette) luiden de commando's: "Op uw plaatsen" en "Klaar" (Engels: "On your marks" en "Set").

16.2.2

Bij alle wedstrijden over afstanden langer dan 400 m (behalve de 4 x 200 m, de medley relay, de 4 x 400 m en de Zweedse estafette) luidt het commando "Op uw plaatsen" (Engels: "On your marks").

16.2.3

Voor alle wedstrijden geldt, dat als de starter volgens regel TR16.5 niet overtuigd is dat alles gereed is om de startprocedure na het "Op uw plaatsen" voort te zetten, of als hij om een andere reden de start afbreekt, moet hij het commando "Herstellen" (Engels: "Stand Up") geven.

Alle looponderdelen moeten normaal gesproken worden gestart door het afvuren van een naar boven gerichte startrevolver.

Groene tekst

De starter moet pas met de startprocedure beginnen zodra hij er zeker van is dat de tijdwaarnemers, de jury aankomst en, bij wedstrijden tot en met 200 meter, de windmeter gereed zijn.
Het communicatieproces tussen de start en het finishgebied en tijdwaarnemers verschilt met het niveau van de wedstrijd. Bij wedstrijden die volgens paragrafen 1. en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition worden georganiseerd en bij vele andere wedstrijden van hoog niveau is altijd een servicebedrijf verantwoordelijk voor de elektronische tijdwaarneming en het startinformatiesysteem.
In dat geval zullen er technici zijn die voor de communicatie verantwoordelijk zijn. Bij andere wedstrijden kunnen verschillende soorten systemen worden gebruikt zoals portofoons, telefoons, of het gebruik van vlaggen of (zwaai-)lichten.

16.3

Bij alle wedstrijden tot en met 400 m (inclusief de 4 x 200 m, de medley relay, de 4 x 400 m en de Zweedse estafette) zijn een geknielde start en startblokken verplicht. Na het commando "Op uw plaatsen" moet de atleet naar de startlijn gaan en geheel binnen de hem toegewezen baan zijn plaats innemen achter de startlijn. Een atleet mag noch de startlijn noch de grond voorbij de startlijn met zijn handen of voeten aanraken als hij zich in de startpositie bevindt. Beide handen en tenminste één knie moeten in contact zijn met de grond en beide voeten moeten in contact zijn met het startblok. Op het commando "Klaar" moet de atleet direct zijn uiteindelijke startpositie innemen, waarbij beide handen contact met de grond en beide voeten contact met de voetplaten van de startblokken moeten houden.

Zodra de starter zich ervan overtuigd heeft dat alle atleten stabiel de juiste starthouding hebben aangenomen moet de revolver worden afgevuurd.

Groene tekst

In alle wedstrijden met geknielde start moet de starter zijn arm met de revolver omhoogsteken zodra de atleten stil in hun blokken zitten en dan het commando "Klaar" geven. Hij moet wachten totdat alle atleten stil zitten en moet dan de revolver afvuren.
De starter moet zijn arm niet te vroeg omhoogsteken, met name wanneer er handtijdwaarnemers zijn. Het wordt aangeraden dat hij zijn arm pas omhoog steekt wanneer hij denkt dat hij op het punt staat om het commando "Klaar" te geven.
Er is geen regel die de tijd bepaalt tussen de commando's "Op uw plaatsen" en "Klaar" enerzijds en tussen het commando "Klaar" en het startschot anderzijds. De starter moet de atleten laten vertrekken zodra zij bewegingloos in de juiste startpositie zitten. Dat betekent dat hij voor bepaalde starts de revolver vrij snel kan afvuren maar aan de andere kant ook iets langer moet wachten om ervoor te zorgen dat alle atleten stabiel in hun startpositie zijn.

16.4

Bij alle wedstrijden langer dan 400 m (met uitzondering van de 4 x 200 m, de medley relay, de 4 x 400 m en de Zweedse estafette) moet worden gestart vanuit een staande positie. Na het commando "Op uw plaatsen" moet de atleet naar de startlijn gaan (en geheel binnen de hem toegewezen baan bij onderdelen die in banen gestart worden) zijn plaats innemen achter de startlijn. Een atleet mag in de startpositie niet de grond met zijn hand of handen en / of de startlijn of de grond voorbij de startlijn met zijn voeten aanraken. Zodra de starter zich ervan overtuigd heeft dat alle atleten stabiel de juiste starthouding hebben aangenomen moet de revolver worden afgevuurd.

16.5

Voor zover van toepassing moeten de atleten op het commando "Op uw plaatsen" of "Klaar" direct en zonder aarzelen hun uiteindelijke startpositie innemen. Als de starter, nadat de atleten hun plaatsen hebben ingenomen, om welke reden dan ook, meent dat nog niet alles gereed is om de startprocedure voort te zetten, moet hij allen opdracht geven om zich van de startplaats te verwijderen, waarna de startcommissaris de atleten opnieuw achter de verzamellijn opstelt (zie ook regel WR23).

Als een atleet naar het oordeel van de starter,

16.5.1

na het commando "Op uw plaatsen" of "Klaar", maar voor het afvuren van de startrevolver, zonder geldige reden (waarbij de desbetreffende scheidsrechter die reden moet beoordelen) het afbreken van de startprocedure veroorzaakt, bijvoorbeeld door het opsteken van de hand en / of door op te staan of rechtop te gaan zitten vanuit de geknielde startpositie, of

16.5.2

de commando's "Op uw plaatsen" of "Klaar" niet opvolgt of niet meteen en onverwijld zijn startpositie heeft ingenomen, of

16.5.3

na het commando "Op uw plaatsen" of "Klaar" door een geluid, beweging of op een andere manier één of meerdere andere atleten in het looponderdeel stoort, met als resultaat dat die atleet of atleten handelen wat anders als een valse start zou worden beschouwd,

dan moet de starter de start afbreken.

De scheidsrechter kan de atleet waarschuwen voor onbehoorlijk gedrag (of diskwalificeren in het geval van een tweede overtreding van de regels tijdens dezelfde wedstrijd) volgens regels TR7.1 en TR7.3.

Een groene kaart wordt dan niet getoond. Wanneer echter door een externe oorzaak de start wordt afgebroken, of wanneer de scheidsrechter het niet eens is met de beslissing van de starter, dan moet door de startcommissaris aan alle deelnemende atleten een groene kaart getoond worden om aan te geven dat geen enkele atleet een valse start had veroorzaakt. Ook mogen andere visuele of auditieve aanduidingen worden goedgekeurd, zoals het gebruik van breedbeeldschermen of daarvoor aangewezen monitoren, mededeling via speakers, gebruik van lichttorens of soortgelijke middelen, etc. De procedure moet van tevoren worden afgestemd met de technische gedelegeerde(n), de startscheidsrechter en de Event Presentation Manager, terwijl ook de omroeporganisatie moet worden geïnformeerd.

Groene tekst

De verdeling van de regels die gerelateerd zijn aan de start, in disciplinaire zaken (volgens regel TR16.5) en valse starts (regels TR16.7 en TR16.8) zorgt ervoor dat niet het gehele deelnemersveld wordt bestraft voor de acties van een enkele atleet. Om de integriteit van de bedoeling van deze verdeling te handhaven is het belangrijk dat starters en scheidsrechters net zo nauwgezet zijn in de toepassing van regel TR16.5 als in het detecteren van valse starts.
Bij dergelijk gedrag, hetzij opzettelijk, hetzij onopzettelijk misschien door nervositeit, zou regel TR16.5 moeten worden toegepast, hoewel slechts het toepassen van regel TR16.2.3 passend zou zijn wanneer de starter van mening is dat het onbedoeld was.
Omgekeerd zullen er ook momenten zijn waarop een atleet een geldige reden heeft om te vragen een start af te breken. Daarom is het van vitaal belang dat met name de startscheidsrechter aandacht heeft voor omstandigheden rondom de start, en omgevingsfactoren waarvan de starter zich mogelijk niet bewust is omdat hij gefocust is op de start en / of een headset draagt.
In dergelijke gevallen moeten de starter en de startscheidsrechter redelijk handelen en hun beslissing efficiënt en duidelijk aangeven. Zo nodig kunnen de redenen voor die beslissing aan de atleten worden medegedeeld en zo mogelijk of desgewenst ook aan de omroepers, de televisieverslaggevers etc. middels het communicatienetwerk.
Een groene kaart moet niet worden getoond in gevallen waar al een gele of rode kaart is getoond.

Valse start

16.6

Als een door WA goedgekeurd startinformatiesysteem wordt gebruikt moeten de starter en / of een daarvoor aangewezen recall-starter koptelefoons dragen zodat het akoestische signaal van het systeem dat een mogelijke valse start aangeeft (d.w.z. als de reactietijd minder dan 0,100 seconde is) duidelijk hoorbaar is. Als het startschot is gelost moet er, zodra de starter en / of de aangewezen recall-starter het akoestisch signaal hoort, teruggeschoten worden. De starter moet onmiddellijk de reactietijd en alle andere beschikbare informatie zoals die door het startinformatiesysteem wordt aangegeven controleren om vast te stellen of en zo ja welke atleet of atleten verantwoordelijk was of waren voor de valse start.

Opmerking

Als een door WA goedgekeurd startinformatiesysteem wordt gebruikt moet het bewijsmateriaal van dit systeem door de desbetreffende officials worden gebruikt als middel om tot een juiste beslissing te komen.

16.7

Een atleet die zijn uiteindelijke startpositie heeft ingenomen mag pas na het schot van de startrevolver met zijn start beginnen. Als, naar de mening van de starter (inclusief de bepaling in regel WR22.6, eerder met de startbeweging wordt begonnen, is dit een valse start. Het begin van de start is als volgt gedefinieerd:

16.7.1

Bij een geknielde start: elke beweging van een atleet die inhoudt of tot gevolg heeft dat één of beide voeten los komen van de voetplaat / voetplaten van de startblokken of dat één of beide handen los komen van de grond; en

16.7.2

Bij een staande start: elke beweging die tot gevolg heeft dat één of beide voeten los komen van de grond.

Als de starter vaststelt dat voorafgaand aan het schot van de startrevolver de atleet begon met een beweging, die niet ophield en die overging in het begin van zijn start, dan is dit ook een valse start.

Opmerking (i)

Iedere andere beweging van een atleet mag niet worden beschouwd als het begin van de startbeweging. Zulke gevallen kunnen, indien van toepassing, onderworpen worden aan een disciplinaire waarschuwing of diskwalificatie.

Opmerking (ii)

bij races waar de atleten starten vanuit een staande positie, is de kans groter dat zij uit evenwicht raken. Als een dergelijke beweging als niet opzettelijk wordt beoordeeld, dient dit als een instabiele start te worden beschouwd. Als een atleet over de lijn wordt geduwd of gestoten, dan moet hij hiervoor niet worden bestraft. Iedere atleet die dit heeft veroorzaakt kan worden onderworpen aan een disciplinaire waarschuwing of diskwalificatie.

Groene tekst

In het algemeen zou er geen valse start moeten worden toegekend, als een atleet het contact met de grond en met de voetplaten niet heeft verloren. Wanneer een atleet bijvoorbeeld zijn heupen omhoog beweegt maar daarna weer omlaag zonder dat zijn handen of voeten een enkel moment contact met de grond of de voetplaten verliezen, zou dit niet moeten resulteren in een valse start. Het kan een reden zijn om de atleet te waarschuwen (of te diskwalificeren als hij al gewaarschuwd is) wegens onsportief gedrag volgens regel TR16.5.
Echter in het geval van een "rolling start", waar de starter of de recall-starter van mening is dat de atleet daadwerkelijk heeft geanticipeerd op de start door een doorgaande beweging in te zetten, zelfs al heeft hij zijn handen of voeten nog niet bewogen vóór het startschot, moet de start worden teruggeschoten. Dit kan worden gedaan door de starter of door de recall-starter maar de starter kan zo'n geval het beste beoordelen omdat hij alleen de positie van zijn vinger om de trekker kent op het moment dat de atleet zijn beweging begon. Wanneer de starter in zo'n geval zeker weet dat de atleet zijn beweging begon vóór het startschot moet wel een valse start worden gegeven.
Conform opmerking (ii) moeten starters en scheidsrechters bij onderdelen die vanuit een staande positie worden gestart vermijden om overijverig te zijn in de toepassing van regel TR16.7. Dit gebeurt slechts zelden en meestal onopzettelijk omdat een loper vanuit een tweepuntstart gemakkelijk zijn evenwicht kan verliezen. Het is niet de bedoeling dat dat overdreven wordt bestraft.
Wanneer zo'n beweging als onopzettelijk wordt beschouwd, wordt starters en scheidsrechters aangeraden om te overwegen de start "onstabiel" te noemen en door te gaan volgens regel TR16.2.3. Echter, herhaling tijdens hetzelfde onderdeel kan de starter en / of de scheidsrechter het recht geven om een valse start toe te kennen of om disciplinaire maatregelen te nemen, wat het best op de situatie van toepassing is.

16.8

Behalve bij meerkampen, moet iedere atleet die verantwoordelijk is voor een valse start door de starter worden gediskwalificeerd.

Voor meerkampen, zie regel TR39.8.3.

Opmerking

Als één of meer deelnemers een valse start veroorzaken zijn anderen vaak geneigd te volgen en, strikt gesproken, heeft iedere atleet die dit doet een valse start gemaakt. De starter zou echter alleen die atleet of atleten moeten waarschuwen, die naar zijn mening voor de valse start verantwoordelijk was(waren). Dit kan betekenen dat meer dan één atleet gewaarschuwd of gediskwalificeerd wordt. Als de teruggeroepen of afgebroken start aan geen van de deelnemers is toe te rekenen, mogen geen waarschuwingen worden gegeven en moet door de startcommissaris aan alle atleten een groene kaart getoond worden. Ook mogen andere visuele of auditieve aanduidingen worden goedgekeurd, zoals het gebruik van breedbeeldschermen of daarvoor aangewezen monitoren, mededeling via speakers, gebruik van lichttorens of soortgelijke middelen, etc. De procedure moet van tevoren worden afgestemd met de technische gedelegeerde(n), de startscheidsrechter en de Event Presentation Manager, terwijl ook de omroeporganisatie moet worden geïnformeerd.

16.9

In het geval van een valse start moet de startcommissaris als volgt handelen:

Behalve bij meerkampen, moet(en) de atleet(atleten) die verantwoordelijk is (zijn) voor die valse start worden gediskwalificeerd. Aan hem(hen) moet een rood / zwarte (diagonaal verdeeld) kaart worden getoond.

Bij meerkampen moet(en) de atleet(atleten) die verantwoordelijk was(waren) voor een eerste valse start worden gewaarschuwd door hem(hen) een geel / zwarte (diagonaal verdeeld) kaart te tonen. Tegelijkertijd moeten alle andere atleten aan die serie door een of meerdere startcommissarissen worden gewaarschuwd door middel van het tonen van een geel / zwarte kaart. Dit om aan te geven dat iedereen die vanaf nu een valse start veroorzaakt, zal worden gediskwalificeerd. Als er daarna nog valse starts plaatsvinden, moet(en) de atleet(atleten) die de valse start veroorzaakt(veroorzaken) worden gediskwalificeerd en moet de rood / zwarte kaart worden getoond.

Als er baannummerblokken worden gebruikt dan moet, telkens wanneer de rood / zwarte of geel / zwarte kaart aan de atleet(atleten) wordt getoond, de overeenkomstige aanduiding (indien dit mogelijk is) ook op de baannummerblokken worden getoond.

Ook mogen andere visuele of auditieve aanduidingen worden goedgekeurd, zoals het gebruik van breedbeeldschermen of daarvoor aangewezen monitoren, mededeling via speakers, gebruik van lichttorens of soortgelijke middelen, etc. De procedure moet van tevoren worden afgestemd met de technische gedelegeerde(n), de startscheidsrechter en de Event Presentation Manager, terwijl ook de omroeporganisatie moet worden geïnformeerd.

Groene tekst

De geel / zwarte en rood / zwarte kaarten hebben een aanbevolen afmeting van A5 en zijn bij voorkeur dubbelzijdig. De overeenkomstige aanduiding op de baannummerblokken mag geel en rood blijven als voorheen, om onnodige kosten voor het aanpassen van bestaande materialen te vermijden.

16.10

De starter of recall-starter, die meent dat de start niet correct heeft plaatsgevonden, moet de atleten terugroepen door middel van een schot, of door gebruik te maken van een geschikt geluidsignaal.

Groene tekst

De verwijzing naar een correcte start heeft niet uitsluitend betrekking op gevallen van een valse start. Deze regel is ook van toepassing op andere situaties zoals het wegschieten van een startblok, een vreemd voorwerp dat één of meer atleten verstoort tijdens een start, etc.

17 De wedstrijd

Hinderen

17.1

Als een atleet bij een looponderdeel wordt geduwd of gehinderd, waardoor diens voortgang is belemmerd:

17.1.1

als het duwen of hinderen onopzettelijk is, of door een andere oorzaak dan door een atleet is veroorzaakt, kan de scheidsrechter, als hij van mening is dat een atleet (of zijn team) ernstig benadeeld is, in overeenstemming met regel WR18.7 of regel TR8.4 opdracht geven om óf de race (voor één, sommige of alle atleten) over te laten lopen, óf de benadeelde atleet (of zijn team) toestaan om in een volgende ronde van dat onderdeel te starten.

17.1.2

als door de scheidsrechter is vastgesteld dat een andere atleet verantwoordelijk is voor het duwen of hinderen kan die atleet (of zijn team) worden gediskwalificeerd voor dat onderdeel. De scheidsrechter kan, als hij van mening is dat een atleet (of zijn team) ernstig benadeeld is, in overeenstemming met regel WR18.7 of regel TR8.4 opdracht geven om óf de race (voor één, sommige of alle atleten) over te laten lopen met uitsluiting van de gediskwalificeerde atleet, óf de benadeelde atleet (of zijn team) (zonder de gediskwalificeerde atleet / atleten of team(s)) toestaan om in een volgende ronde van dat onderdeel te starten.

Opmerking

In gevallen die ernstig genoeg zijn, kan ook regel TR7.1 en regel TR7.3 worden toegepast.

In beide onder de regels TR17.1.1 en TR17.1.2 genoemde gevallen moet normaal gesproken de gehinderde atleet (of zijn team) de wedstrijd op een bonafide manier hebben beëindigd.

Groene tekst

Duwen moet worden gezien als fysiek contact met een andere atleet of atleten op één of meerdere momenten, dat ten opzichte van die andere atleet of atleten als gevolg daarvan een oneerlijk voordeel oplevert of een blessure of schade veroorzaakt.

17.2

Bij alle looponderdelen:

17.2.1

waarin zich minstens één bocht bevindt moet steeds linksom worden gelopen. De banen moeten zodanig worden genummerd, dat de binnenbaan nummer 1 krijgt;

17.2.2

waarbij uitsluitend op het rechte stuk van de baan wordt gelopen mag, afhankelijk van de omstandigheden, de binnenkant van de baan zowel links als rechts gelegen zijn;

17.2.3

waarbij geheel (of een gedeelte van de race) in banen wordt gelopen moet iedere atleet van start tot finish binnen de hem toegewezen baan blijven en mag in de bocht niet op of binnen de lijn aan zijn linkerkant stappen of lopen, of in het geval van de binnenbaan, de rand of lijn die de begrenzing aan de binnenkant van de baan aangeeft;

17.2.4

waarbij de race (of een gedeelte van de race) niet in banen wordt gelopen, mag een atleet, lopende in een bocht of in het buitenste gedeelte van de baan zoals omschreven in TR17.5.2 of in het gebogen deel van de omleiding van de rondbaan voor de waterbak van de steeplechase, niet stappen of lopen op of binnen de rand of lijn die de van toepassing zijnde begrenzing aangeeft (van de binnenkant van respectievelijk de baan, van het buitenste gedeelte van de baan of van ieder gebogen deel van de omleiding van de rondbaan voor de waterbak van de steeplechase).

Buiten de banen lopen

17.3

Als de scheidsrechter, na melding van een jurylid, een baancommissaris of op andere wijze, ervan overtuigd is dat een atleet regel TR17.2.3 of TR17.2.4 heeft overtreden, dan moet die atleet of in het geval van een estafette zijn team, worden gediskwalificeerd tenzij:

17.3.1

wordt geduwd of door een andere persoon of voorwerp wordt gedwongen om buiten zijn baan te lopen of op of binnen de lijn die de van toepassing zijnde begrenzing aangeeft, of

17.3.2

buiten zijn baan stapt of loopt, op het rechte stuk, elk recht stuk in de omleiding van de rondbaan naar en van de waterbak, of in de bocht voorbij de lijn aan de buitenzijde van zijn baan;

17.3.3

in alle races die in banen worden gelopen (of ieder deel van een race die in banen gelopen wordt) één keer de linker lijn, of de rand of de lijn die in een bocht de van toepassing zijnde begrenzing aangeeft raakt;

17.3.4

in alle races die niet in banen worden gelopen (of ieder deel van een race die niet in banen gelopen wordt), één keer op of volledig over de rand of lijn die de van toepassing zijnde begrenzing in een bocht aangeeft (zoals gedefinieerd in regel TR17.2.4) stapt.

als daardoor geen andere atleten worden geduwd of gehinderd waarbij hun voortgang wordt belemmerd (zie regel TR17.1) en geen wezenlijk voordeel wordt verkregen (zie regel TR17.4).

In races die over meerdere ronden worden gehouden, mag een overtreding zoals gedefinieerd in de regels TR17.3.3 en TR17.3.4, in al die ronden van dat onderdeel slechts één keer door de desbetreffende atleet worden gemaakt, zonder dat die atleet gediskwalificeerd wordt. Bij een tweede overtreding van diezelfde atleet, of die nu gemaakt wordt in dezelfde ronde of in een andere ronde van dat onderdeel, moet die atleet gediskwalificeerd worden.

Bij estafettewedstrijden, zal iedere tweede overtreding (zoals beschreven in de regels TR17.3.3 en TR17.3.4) door een atleet die lid is van een team, onafhankelijk van het feit of die overtreding gemaakt wordt door dezelfde of door een ander lid van dat team, diskwalificatie van het team tot gevolg hebben, of die overtreding nu gemaakt wordt in dezelfde ronde of in een andere ronde van hetzelfde onderdeel.

Voor de erkenning van records, zie regel WR31.14.4.

17.4

Als door een atleet wezenlijk voordeel wordt verkregen door op enigerlei wijze zijn positie te verbeteren inclusief de uitzonderingen in regel TR17.3, of door zichzelf vrij te maken uit een ingesloten positie in de race door op enig punt binnen de rand van de baan te stappen of te lopen, dan moet die atleet (of team) gediskwalificeerd worden.

Groene tekst

Regel TR17.4 verbiedt specifiek de actie van atleten die proberen om hun positie in de wedstrijd te verbeteren door over de binnenrand van de baan te stappen (hetzij met opzet, hetzij na te zijn geduwd door een andere atleet) en daarna een uitweg te vinden vanuit een ingesloten positie. Terwijl normaal gesproken het lopen aan de binnenzijde van baan 1 op het rechte stuk (in tegenstelling tot in de bocht) niet tot verplichte diskwalificatie zou leiden, heeft de scheidsrechter nu de mogelijkheid om naar zijn goeddunken te diskwalificeren wanneer dit zich voordoet en de atleet wordt bevoordeeld, zelfs als de aanvankelijke reden waarom hij zich daar bevindt het gevolg is van duwen. In zulke gevallen zou de atleet meteen terug de baan op moeten stappen zonder daarbij enig voordeel te zoeken of te nemen.
Als een race wordt gestart in banen en in het verdere verloop niet meer in aparte banen gelopen wordt, dan zijn de regels TR17.2 en TR17.3 dan ook van toepassing op ieder deel van de race. Daarom zal slechts een overtreding van regels TR17.3.3 of TR17.3.4 worden toegestaan. Bij een tweede overtreding in dezelfde race moet worden gediskwalificeerd.
Om vast te stellen of de uitzondering in regel TR17.3.3 van toepassing is in die gevallen waarbij ook een deel van de schoen of voet zich links van de lijn bevindt, dan geldt de eis dat tenminste een deel van de omtrek van de schoen of de voet van de atleet de lijn moet raken, dat wil zeggen dat enig contact met de lijn (gevormd door de omtrek van het desbetreffende deel van de schoen of voet) is vereist om deze uitzondering toe te mogen passen. Als dit niet het geval is, dan mag de uitzondering niet worden toegepast.
Alle lijnovertredingen zouden in de wedstrijd data systemen ingevoerd moeten worden en worden getoond in de startlijsten en de uitslagen. (zie WR25.4 voor het symbool dat daarbij gebruikt dient te worden).
De regel die gaat over het "meenemen" van de overtreding is alleen van toepassing op hetzelfde onderdeel en niet op een race met een andere afstand.
Bij de meerkampen, zou een atleet voor meer dan één overtreding alleen gediskwalificeerd moeten worden, als die tijdens dezelfde race plaatsvinden. Binnen de meerkamp worden de overtredingen niet "meegenomen" naar volgende races.

17.5

Bij wedstrijden die vallen onder paragraaf 1. en 2. van de definitie van World Rankings Competition en waar mogelijk in andere wedstrijden:

17.5.1

moet de 800 m in aparte banen worden gelopen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn, waar de lopers hun respectievelijke banen mogen verlaten. De overgangslijn moet bestaan uit een 50 mm brede gebogen lijn aan het eind van de eerste bocht en die zich uitstrekt over alle banen behalve baan 1. Om atleten te helpen bij het herkennen van de overgangslijn moeten kleine pylonen of prisma's, bij voorkeur in een andere kleur dan de overgangslijn en de scheidingslijnen van de banen, geplaatst worden direct vóór de kruising van de scheidingslijnen van de banen met de overgangslijn.

Opmerking

Bij wedstrijden volgens paragrafen 1. (e) en 2. (e) van de definitie van World Rankings Competition kunnen landen afspreken om de 800 m niet in banen te starten.

17.5.2

Als in een race over 1 000 m, 2 000 m, 3 000 m, (eventueel ook bij 3 000 m steeplechase met de waterbak aan de binnenkant van de baan) 5 000 m of 10 000 m er meer dan 12 atleten deelnemen, dan kunnen zij over twee groepen worden verdeeld waarbij de ene groep met ongeveer twee-derde van de atleten start vanaf de reguliere gebogen startlijn, de andere groep start vanaf een aparte gebogen startlijn, die over de buitenste helft van de baan is getrokken. Laatstgenoemde groep moet de gehele eerste bocht in de buitenste helft van de baan lopen tot het punt dat aangegeven is met pylonen, vlaggen of een tijdelijke opstaande rand zoals beschreven in regel TR14.1.

De aparte gebogen startlijn moet zodanig op de baan zijn aangebracht dat de gelopen afstand voor alle atleten gelijk is.

De overgangslijn van de 800 m is de lijn waar de lopers van de buitenste groep van de 2 000 m en 10 000 m zich bij de lopers van de binnenste groep mogen voegen.

De plaats waar de lopers van de buitenste groep van de 1 000 m, 3 000 m (eventueel ook bij 3 000 m steeplechase met de waterbak aan de binnenkant van de baan) en de 5 000 m zich bij de lopers van de binnenste groep mogen voegen, moet aan het begin van het rechte stuk naar de finish gemarkeerd zijn. Deze markering ("breakpoint") moet bestaan uit een merkteken met afmetingen van 50 mm x 50 mm op de lijn tussen de banen 4 en 5 (of tussen de banen 3 en 4 op een 6-baans accommodatie), met direct daarvoor een pylon of een vlag die daar wordt geplaatst tot het moment dat de twee groepen bij elkaar komen.

Als een atleet deze regel niet volgt moet hij, of in het geval van een estafette zijn team, gediskwalificeerd worden.

Groene tekst

De markeringen die worden gebruikt bij de overgangslijn van de 800 m en de van toepassing zijnde estafettes, moeten bij voorkeur afmetingen hebben van 50 mm x 50 mm en een hoogte van niet meer dan 0,15 meter.
Voor de duidelijkheid: om te voldoen aan de eis van regel TR25.4 om het regelnummer aan te geven volgens welke een atleet is gediskwalificeerd:
a. als een atleet een stap zet op of binnen de lijn, dan moet, voor zover van toepassing, regel TR17.2.3 of TR17.2.4 worden vermeld;
b. als een atleet vanuit de toegewezen baan of buitenste helft van de baan naar binnen gaat vóór de overgangslijn of de markering ("breakpoint"), dan moet regel TR17.5 worden vermeld.

Baan verlaten

17.6

Als een atleet eenmaal vrijwillig de baan heeft verlaten, mag hij de wedstrijd niet meer voortzetten, met uitzondering van de situaties zoals omschreven in regel TR24.6.3. In de uitslag moet worden vermeld dat hij niet gefinisht is. Als die atleet een poging doet om weer aan de race deel te gaan nemen, dan moet hij door de scheidsrechter worden gediskwalificeerd.

Merktekens

17.7

Met uitzondering van het bepaalde in regel TR24.4, wanneer de hele of het eerste deel van de estafette in banen wordt gelopen, mogen atleten geen merktekens aanbrengen of voorwerpen als hulpmiddel langs of in de baan plaatsen. De baancommissarissen moeten de desbetreffende atleet opdracht geven de markeringen of voorwerpen die niet aan deze regel voldoen te verplaatsen of te verwijderen. Als hij dit niet doet moeten de baancommissarissen deze markeringen of voorwerpen verwijderen.

Opmerking

Ernstige gevallen kunnen verder worden afgehandeld volgens regels TR7.1 en TR7.2.

Windmeting

17.8

Alle windmeters moeten zijn vervaardigd en geijkt volgens internationale normen. De nauwkeurigheid van de in de wedstrijd gebruikte meetapparatuur moet zijn geverifieerd door een bevoegde organisatie die daartoe geaccrediteerd is door een nationaal ijkinstituut.

17.9

Bij alle internationale wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. en 2. (a), (b). (c) (e) van de definitie van World Rankings Competition en bij alle prestaties die voor de erkenning van een wereldrecord ingediend worden, moeten niet-mechanische windmeters worden gebruikt.

Een mechanische windmeter moet een afdoende afscherming hebben om de invloed van zijwind te vermijden. Bij de toepassing van buizen, moet de lengte van de buizen aan beide zijden van de rotor minstens tweemaal de diameter van de buis bedragen.

17.10

De scheidsrechter looponderdelen moet vaststellen dat de windmeter bij de looponderdelen op 50 m vóór de finishlijn op het rechte stuk naast baan 1 is geplaatst. Het meetvlak moet op een hoogte van 1,22 m ± 0.05 m en op niet meer dan 2 m van de baan zijn geplaatst.

17.11

De windmeter mag automatisch en / of op afstand worden gestart en gestopt en de gegevens mogen direct naar de wedstrijdcomputer worden doorgestuurd.

17.12

De perioden gedurende welke vanaf het zichtbaar worden van de flits en / of de rook van de startrevolver de windsnelheid moet worden gemeten zijn als volgt:

  • 100 m 10 seconden
  • 100 m horden 13 seconden
  • 110 m horden 13 seconden

Bij de 150 m en 200 m, behalve bij wedstrijden op een 200 m standaard rondbaan, moet normaliter de windsnelheid gedurende 10 seconden worden gemeten, te beginnen vanaf het moment dat de eerste loper het rechte eind bereikt.

17.13

De windmeter moet worden afgelezen in meter per seconde, waarbij moet worden afgerond op 0,1 meter per seconde in positieve richting, behalve als de tweede decimaal een nul is (dus + 2,03 meter per seconde moet worden opgegeven als + 2,1 en - 2,03 meter per seconde moet worden opgegeven als - 2,0). Windmeters met een digitale weergave in 1/10e meter per seconde moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij volgens de hiervoor genoemde regel afronden.

Doorgeven van tussentijden

17.14

Tussentijden en voorlopige eindtijden mogen van officiële zijde worden omgeroepen of op een scorebord worden aangegeven. Voor het overige mogen deze tijden niet door personen vanaf het wedstrijdterrein aan de atleten worden doorgegeven zonder voorafgaande toestemming van de desbetreffende scheidsrechter. Hij mag op maximaal twee overeengekomen plaatsen slechts één persoon per plek toestemming geven of benoemen om tijden door te geven.

Als aan atleten, in strijd met deze regel, tussentijden worden doorgegeven moet dit worden beschouwd als het ontvangen van assistentie en moet dit worden behandeld volgens de voorzieningen in regel TR6.2.

Opmerking

Het wedstrijdterrein, dat gewoonlijk ook fysiek afgesloten is, wordt in dit verband gedefinieerd als het terrein waarop de wedstrijd zich afspeelt, en waartoe volgens de geldende regels en reglementen uitsluitend atleten die aan de wedstrijd deelnemen en geautoriseerde medewerkers toegang hebben.

Drinken, sponsen en verfrissingen bij looponderdelen op de baan

17.15

Drinken, sponsen en verfrissingen als volgt:

17.15.1

Bij baanwedstrijden van 5 000 m of langer kunnen de organisatoren - afhankelijk van de weersomstandigheden - water en sponsen aan de atleten beschikbaar stellen.

17.15.2

Bij baanwedstrijden langer dan 10 000 m moeten verfrissingen en water- en sponsposten beschikbaar worden gesteld. Verfrissingen, die óf door de organisatoren óf door de atleet zelf worden verstrekt, moeten zo zijn opgesteld, dat óf de atleten ze gemakkelijk zelf kunnen pakken, óf ze door daarvoor aangewezen personen aangereikt kunnen worden. Verfrissingen die door de atleet zelf worden verstrekt, moeten onder toezicht van daarvoor door de organisator aangewezen officials blijven vanaf het moment dat die door de atleten of door hun vertegenwoordigers zijn ingeleverd. Deze officials moeten erop toezien dat er op geen enkele wijze iets aan de verfrissingen veranderd wordt of dat ermee geknoeid wordt.

17.15.3

Een atleet mag, te allen tijde, water of verfrissing in zijn hand of bevestigd aan zijn lichaam bij zich dragen, als hij dit tenminste heeft meegenomen vanaf de start of vanaf een officiële post.

17.15.4

Tenzij dit gebeurt om medische redenen door of op aanwijzing van een wedstrijdofficial, zou een atleet die een verfrissing of water van een andere plaats dan de officiële post ontvangt of ophaalt, of van een andere atleet aanneemt, bij een eerste overtreding door de scheidsrechter moeten worden gewaarschuwd door het tonen van een gele kaart. Bij een tweede overtreding moet de scheidsrechter de atleet diskwalificeren gewoonlijk door hem een rode kaart te tonen. De atleet moet dan onmiddellijk de baan verlaten.

Opmerking

Atleten mogen aan elkaar verfrissingen, water of sponzen aanreiken, op voorwaarde dat deze vanaf de start waren meegenomen, of bij een officiële post waren opgepakt of ontvangen. Echter, een dergelijke voortdurende ondersteuning van één atleet aan een of meer andere atleten kan worden beschouwd als onsportieve assistentie en dan mogen waarschuwingen en / of diskwalificaties zoals boven omschreven worden uitgesproken.

18 De finish

18.1

De finish van een looponderdeel wordt aangegeven door een 50 mm brede witte lijn.

Opmerking

In het geval van looponderdelen waarbij buiten het stadion gefinisht wordt, mag de finishlijn maximaal 0,30 m breed zijn en van een willekeurige kleur, zolang die duidelijk contrasteert met het oppervlak van het finishgebied.

18.2

De atleten worden geklasseerd in de volgorde waarmee enig deel van hun romp (dus niet van hoofd, hals, armen, benen, handen of voeten) het verticale vlak bereikt, dat zich bevindt aan de kant van de finishlijn, die zich het dichtst bij de start bevindt.

18.3

In wedstrijden, die worden gehouden over een vooraf vastgestelde tijd, waarschuwt de starter precies één minuut voor het einde van de wedstrijd door het afvuren van een schot de atleten en de juryleden dat het einde van de wedstrijd nadert. Op aangeven van de chef tijd vuurt de starter - precies op het vooraf vastgestelde tijdstip - opnieuw een schot af, waarmee het einde van de wedstrijd wordt aangegeven. Op dat ogenblik moeten de juryleden precies de plaats aangeven waar de atleten voor of tijdens dit signaal het laatste contact met de grond hebben gehad.

De bereikte afstand wordt gemeten tot aan de laatste gehele meter vóór dit punt. Voor elke atleet moet tenminste één jurylid worden aangewezen om de bereikte afstand aan te geven.

Groene tekst

Richtlijnen voor het organiseren van een wedstrijd over één uur kunnen worden gedownload van de website van World Athletics.

19 Tijdmeting

19.1

Er worden drie manieren van officiële tijdwaarneming erkend:

19.1.1

Handtijdwaarneming.

19.1.2

Volautomatische tijdwaarneming door een fotofinishsysteem.

19.1.3

Tijdregistratie door middel van transponders, uitsluitend voor wedstrijden volgens de regels TR54 (snelwandelwedstrijden die niet volledig op een atletiekbaan worden gehouden), TR55, TR56 en TR57.

19.2

Volgens de regels TR19.1.1 en TR19.1.2 moet de tijd worden opgenomen tot het moment, dat enig deel van de romp van de atleet (dus niet van hoofd, hals, armen, benen, handen of voeten) het verticale vlak bereikt aan de kant van de finishlijn, die zich het dichtst bij de start bevindt.

19.3

De tijden van alle atleten die finishen, moeten worden geregistreerd. Indien mogelijk moeten daarnaast de rondetijden in wedstrijden van 800 m en langer en de tijden van iedere 1 000 m in wedstrijden van 3 000 m en langer worden geregistreerd.

Handtijden

19.4

De tijdwaarnemers moeten zich in één lijn met de finish opstellen. Indien enigszins mogelijk moeten zij op tenminste 5 m vanaf de buitenkant van de baan worden geplaatst. Om ervoor te zorgen dat allen een goed uitzicht op de finishlijn hebben, moet voor een verhoging worden gezorgd.

19.5

De tijdwaarnemers moeten gebruik maken van handbediende elektronische chronometers die digitaal afleesbaar zijn. In dit reglement worden onder chronometers alle soorten van dergelijke apparatuur verstaan.

19.6

De rondetijden en tussentijden zoals bedoeld in regel TR19.3 moeten worden opgenomen door speciaal daartoe aangewezen tijdwaarnemers die beschikken over chronometers die meer dan één tijd kunnen registreren, of door toegevoegde tijdwaarnemers, of door transponders.

19.7

De tijd moet worden opgenomen vanaf het ogenblik, dat de flits en / of de rook van de startrevolver zichtbaar wordt.

19.8

Drie officiële tijdwaarnemers (één van hen fungeert als chef tijd) en één of meer toegevoegde tijdwaarnemers moeten de tijd opnemen van de winnaar van ieder onderdeel en van iedere prestatie die als record in aanmerking zou kunnen komen. (Voor meerkampen zie regel TR39.8.2). De tijden van de toegevoegde tijdwaarnemers zullen niet in beschouwing worden genomen, tenzij één of meer van de chronometers van de officiële tijdwaarnemers de tijd niet of kennelijk onjuist geregistreerd heeft / hebben, in welk geval de van tevoren aangewezen toegevoegde tijdwaarnemer invalt, zodat in alle gevallen drie chronometers de officiële winnende tijd geregistreerd hebben.

19.9

Iedere tijdwaarnemer moet onafhankelijk handelen en moet de geregistreerde tijd, zonder die aan anderen te tonen of daarover met anderen te discussiëren, op het daarvoor bestemde formulier invullen, het formulier ondertekenen en aan de chef tijd overhandigen. De chef tijd heeft het recht de opgegeven tijd op de chronometers te controleren.

19.10

Voor alle wedstrijden met handtijden, moeten de tijden als volgt worden afgelezen en vastgelegd:

19.10.1

tenzij de tijd exact op 0,1 seconde is blijven stilstaan, moet voor wedstrijden op de baan de tijd naar boven worden afgerond en vastgelegd op 0,1 van een seconde, bijv. 10,11 moet worden genoteerd als 10,2;

19.10.2

tenzij de tijd exact op een hele seconde is blijven stilstaan, moeten voor wedstrijden die geheel of gedeeltelijk buiten de atletiekbaan worden verwerkt, de tijden worden afgerond en vastgelegd op volle seconden naar boven, d.w.z. dat voor een marathon 2:09:44,3 wordt afgerond op 2:09:45.

Opmerking

Voor de mijl op de weg moet de tijd naar boven worden afgerond op 0,1 seconde.

19.11

Als na afronding zoals hierboven aangegeven, twee van de drie officiële chronometers dezelfde tijd aangeven en de derde daarvan afwijkt, wordt de tijd die wordt afgelezen op de twee chronometers als de officiële tijd aangemerkt. Als alle drie chronometers een verschillende tijd aangeven, wordt de middelste tijd als de officiële tijd aangemerkt. Als er slechts tijden van twee chronometers beschikbaar zijn, dan wordt de langste tijd als de officiële tijd aangemerkt.

19.12

De chef tijd zal volgens bovenstaande regels beslissen wat de officiële tijd van iedere atleet is en deze tijden via het wedstrijdsecretariaat vrijgeven voor publicatie.

Volautomatische tijdwaarneming door een fotofinishsysteem.

Het systeem

19.13

Een volautomatisch tijdwaarneming- en fotofinishsysteem moet zijn gekeurd en het moet een ijkcertificaat hebben, dat op de dag van de wedstrijd niet ouder mag zijn dan 4 jaar, en waarin het volgende is vastgelegd:

19.13.1

Het systeem moet de finish vastleggen door middel van een camera, geplaatst in het verlengde van de finishlijn, die een samengesteld beeld produceert.
a. Voor wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. en 2. van de definitie van World Rankings Competition moet dit samengestelde beeld bestaan uit ten minste 1 000 beeldjes per seconde.
b. Voor andere wedstrijden moet dit samengestelde beeld bestaan uit ten minste 100 beeldjes per seconde.

In elk geval moet het beeld synchroon lopen met een tijdschaal die gelijkmatig in stappen van 0,01 seconde is verdeeld.

19.13.2

Het systeem moet automatisch worden gestart door het signaal van de starter, zodanig dat het tijdsverloop tussen de knal, of een vergelijkbare visuele indicatie, en de start van de tijdmeetapparatuur constant is en minder dan of gelijk aan 0,001 seconde is.

19.14

Om vast te kunnen stellen of de camera precies op de finishlijn staat gericht en om het aflezen van de finishbeelden mogelijk te maken, moet op de kruising van de finishlijn met de lijnen tussen de banen een zwarte markering zijn aangebracht. Deze markering mag iedere bruikbare vorm hebben. Deze markering moet binnen de kruising van de beide lijnen blijven, moet binnen 20 mm vanaf de aanloopzijde van de finishlijn blijven en mag niet aan de aanloopzijde van de finishlijn uitsteken. Soortgelijke zwarte markeringen mogen ook worden aangebracht aan beide kanten van de kruising van de middelste baan en de finishlijn, om het aflezen mogelijk te maken.

19.15

De plaatsen van de atleten moeten van de finishbeelden worden afgelezen met behulp van een lijn die gegarandeerd loodrecht op de tijdschaal moet zijn aangebracht.

19.16

Het systeem moet automatisch de finishtijden van de atleten vaststellen en registreren en er moet een indruk gemaakt kunnen worden, waarop de tijd van iedere atleet is af te lezen. Daarnaast moet door het systeem de tijd van iedere atleet in een overzichtstabel worden weergegeven. Als later automatisch vastgelegde gegevens worden aangepast of gegevens (zoals starttijd, finishtijd) handmatig worden ingevoerd, dan moet die door het systeem automatisch in de tijdschaal van de afbeelding en in de overzichtstabel worden weergegeven.

19.17

Een systeem dat automatisch werkt bij de finish, maar niet bij de start, wordt als handtijdwaarneming beschouwd op voorwaarde dat het systeem in overeenstemming met regel TR19.7, of met een vergelijkbare nauwkeurigheid, wordt gestart. De beelden mogen worden gebruikt als geldig hulpmiddel om de aankomstvolgorde of de tijdverschillen tussen de atleten vast te stellen.

Opmerking

Als het mechanisme van de tijdwaarneming niet wordt gestart door het signaal van de starter, moet dit automatisch op de tijdschaal van de finishfoto worden aangegeven.

19.18

Een systeem, dat automatisch werkt bij de start maar niet bij de finish, wordt noch als handtijdwaarneming noch als volautomatische elektronische tijdwaarneming beschouwd en kan dus niet worden gebruikt om daaraan officiële tijden te ontlenen.

Uitvoering

19.19

De chef fotofinish is verantwoordelijk voor het juist functioneren van het systeem. Hij stelt zich voor de aanvang van de wedstrijd, in overleg met de betrokken technici, op de hoogte van de werking van de apparatuur en controleert alle instellingen die van toepassing zijn.

In samenwerking met de startscheidsrechter (en als die niet is benoemd de betrokken scheidsrechter looponderdelen en snelwandelen) en met de starter moet hij voor het begin van ieder wedstrijdblok (bijv. ochtend- of middagsessie) een nultest laten uitvoeren om zeker te stellen dat de apparatuur automatisch wordt gestart door het signaal van de starter binnen de in regel TR19.13.2 vastgelegde begrenzing (d.w.z. minder dan of gelijk aan 0,001 seconde).

Hij moet toezicht houden op het testen van de apparatuur en hij moet zich ervan verzekeren dat de camera('s) correct is (zijn) uitgelijnd.

19.20

Er moeten tenminste twee fotofinishcamera's worden gebruikt, aan elke kant van de baan één. Deze systemen moeten bij voorkeur geheel onafhankelijk van elkaar werken, d.w.z. een gescheiden stroomvoorziening hebben en het signaal van de starter via gescheiden opnemers en kabels ontvangen en vastleggen.

Opmerking

Als er twee of meer fotofinishcamera's worden gebruikt, moet één daarvan vóór het begin van de wedstrijd door de Technisch Gedelegeerde(n) (of door het World Athletics jurylid fotofinish als die is benoemd) als de officiële camera worden aangewezen. De door beelden van de andere camera's aangegeven tijden en klasseringen worden niet gebruikt, tenzij er reden is om te twijfelen aan de nauwkeurigheid van de officiële camera of als het noodzakelijk is de ter beschikking staande beelden te benutten om onzekerheden in de klassering op te lossen (atleten die geheel of gedeeltelijk op de officiële foto's zijn afgedekt).

19.21

De chef fotofinish bepaalt samen met een voldoende aantal assistenten de aankomstvolgorde en de tijden van de atleten. Hij moet zich ervan verzekeren dat de resultaten op een juiste manier worden ingevoerd in of worden doorgezonden naar het wedstrijdadministratiesysteem en worden overgedragen aan de wedstrijdsecretaris.

Groene tekst

Bij grotere evenementen waar de technologie beschikbaar is wordt de finishfoto vaak meteen getoond op een videoscherm of gepubliceerd op het internet. Het is de praktijk geworden om atleten, of personen namens hen, die overwegen om een protest in te dienen, de gelegenheid te bieden om de foto te zien en zo te voorkomen dat tijd wordt verspild aan onnodige protesten.

19.22

Tijden van het fotofinishsysteem moeten als de officiële tijden aangemerkt worden, tenzij de verantwoordelijke official om welke reden dan ook vaststelt, dat deze tijden klaarblijkelijk onjuist zijn. In dit geval worden, indien mogelijk, de handtijden gecorrigeerd met de tussentijden verkregen van de fotofinishbeelden als de officiële tijden aangemerkt. Als er een kans is dat de tijdmeetapparatuur faalt, moeten ook handtijden worden opgenomen.

19.23

Tijden moeten van de fotofinishbeelden als volgt worden afgelezen en genoteerd:

19.23.1

Tenzij de afgelezen tijd precies op 0,01 van een seconde uitkomt, moet in alle baanwedstrijden tot en met 10 000 m de tijd worden omgezet en genoteerd naar de naast hogere 0,01 seconde, bijv. 26:17,533 moet worden genoteerd als 26:17,54.

19.23.2

In alle baanwedstrijden langer dan 10 000 m moeten alle tijden die niet op twee nullen eindigen worden omgezet en genoteerd naar de naast hogere 0,1 seconde, bijv. 59:26,322 moet worden genoteerd als 59:26,4.

19.23.3

In alle wedstrijden, die geheel of gedeeltelijk buiten de atletiekbaan worden gehouden, moeten alle tijden die niet op drie nullen eindigen worden omgezet en genoteerd naar de naast hogere hele seconde; bijv. 2:09:44,322 moet worden genoteerd als 2:09:45.

Opmerking

Voor wedstrijden over een afstand van een mijl op de weg moet de tijd worden afgerond naar de naast hogere 0,01 seconde.

Opmerking

Wedstrijden die gehouden worden volgens de regels van TR11.2 moeten voor de registratie van tijd en prestaties worden beschouwd als wedstrijden binnen een stadion.

Transpondersystemen

19.24

Het gebruik van transpondersystemen die voldoen aan de regels, is toegestaan bij wedstrijden volgens de regels TR54 (wedstrijden die niet volledig op een atletiekbaan worden gehouden), TR55, TR56 en TR57, op voorwaarde dat:

19.24.1

De apparatuur gebruikt bij de start, op het parcours of op de finishlijn mag de voortgang van de atleet niet hinderen of belemmeren.

19.24.2

Het gewicht van de transponder en de behuizing zoals dat door de atleet gedragen wordt, verwaarloosbaar is.

19.24.3

Het systeem wordt gestart door de startrevolver of wordt gelijkgezet met het startsignaal.

19.24.4

Het systeem tijdens de wedstrijd, bij de finish of in alle fasen van de uitslagverwerking, op geen enkele manier een actie van de atleet vereist.

19.25

Bij alle wedstrijden moeten alle afgelezen tijden die niet precies op de volle seconde uitkomen, worden omgezet en worden genoteerd naar de naast hogere volle seconde, bijvoorbeeld: 2:09:44,3 moet worden genoteerd als 2:09:45.

Opmerking (I)

De officiële tijd is de tijd die is verstreken tussen het afvuren van de startrevolver (of het gesynchroniseerde startsignaal) en het moment dat de atleet de finishlijn passeert. Echter, de tijd die verstrijkt tussen het moment dat de atleet de startlijn passeert en het moment dat hij de finishlijn passeert mag aan hem bekend gemaakt worden, maar zal niet als officiële tijd worden beschouwd.

Opmerking (II)

Voor wegwedstrijden over een afstand van een mijl moet de tijd worden afgerond naar de naast hogere 0,1 seconde.

19.26

Bij het vaststellen van de officiële aankomstvolgorde en finishtijden moeten, indien nodig, de regels TR18.2 en TR19.2 worden toegepast.

Opmerking

Het wordt aanbevolen ook juryleden en / of video-opnamen in te zetten om te helpen de aankomstvolgorde en de identiteit van de atleten vast te stellen.

Groene tekst

Bij gebruik van transpondertiming is het belangrijk dat door de organisatoren een geschikt back-upsysteem wordt geplaatst, vooral om regel TR19.24.6 / loop-onderdelen#19246 goed uit te kunnen voeren. Het aanstellen van back-up tijdwaarnemers en, nog belangrijker, jury aankomst wordt ten zeerste aanbevolen om te kunnen oordelen over close finishes die niet altijd correct kunnen worden bepaald door een chiptimingsysteem.

19.27

De chef transpondertijd is verantwoordelijk voor het juist functioneren van het systeem. Hij stelt zich voor de aanvang van de wedstrijd, in overleg met de betrokken technici, op de hoogte van de werking van de apparatuur en controleert alle mogelijke instellingen. Hij moet toezicht houden op het testen van de apparatuur en hij moet zich ervan verzekeren dat als de transponder de finishlijn passeert, daarmee de finishtijd van de atleet wordt geregistreerd. Samen met de scheidsrechter moet hij zich ervan overtuigen dat er indien nodig voorzieningen zijn getroffen voor de toepassing van regel TR19.26.

20 Plaatsing, loting en overgangsregels bij de looponderdelen

Ronden en series

20.1

Als in een wedstrijd het aantal atleten te groot is om op een bevredigende manier de looponderdelen in één ronde (finale) te kunnen verwerken, moeten er kwalificatieronden worden gelopen. Als er kwalificatieronden worden gelopen, moeten alle atleten daaraan deelnemen om zich te kunnen plaatsen voor een volgende ronde, behalve wanneer de desbetreffende bevoegde instantie, voor één of meer onderdelen, het houden van (een) aanvullende kwalificatieronde(n) toestaat, hetzij tijdens dezelfde wedstrijd of tijdens een of meer eerdere wedstrijden, om zo voor sommige of voor alle atleten vast te stellen wie aan de wedstrijd mogen deelnemen en in welke ronde. Een dergelijke procedure en alle andere voorwaarden (zoals bijv. voldoen aan limieten gedurende een vastgestelde periode, behalen van een bepaalde plaats in een aangewezen wedstrijd of een plaats op de ranglijst) waardoor een atleet het recht krijgt om deel te nemen aan de wedstrijd en in welke ronde van de wedstrijd, moeten worden vermeld in de reglementen van iedere wedstrijd.

Opmerking (i)

Zie ook regel TR8.4.3.

Opmerking (ii)

aanvullende kwalificatieronde(n) kunnen bestaan uit voorafgaande kwalificatieronde(n) en / of "repechage" ronde(n).

20.2

De indeling in series van de kwalificatieronden moet als volgt worden gedaan door de benoemde Technisch Gedelegeerden. Als er geen Technisch Gedelegeerden zijn benoemd, dan moeten de series worden ingedeeld door de organisatoren.

20.2.1

Alle wedstrijdbepalingen zouden voor iedere ronde van de looponderdelen tabellen moeten bevatten die, onder normale omstandigheden, gebruikt worden om het aantal ronden, het aantal series in iedere ronde, en de kwalificatieprocedures vast te stellen, bijv. wie, in iedere ronde van de looponderdelen, naar een volgende ronde gaat op basis van plaats. Die informatie moet ook worden gegeven bij alle kwalificatieronde(n).

Opmerking (i)

Als in de van toepassing zijnde wedstrijdbepalingen bovenstaande informatie ontbreekt, kunnen tabellen worden gebruikt, die zijn gepubliceerd op de website van World Athletics en op de website van de Atletiekunie.

Opmerking (ii)

In de van toepassing zijnde bepalingen kan worden vastgelegd hoe leeggevallen plaatsen in halve finales en finales kunnen worden opgevuld door atleten die in de voorgaande ronden in de rangorde achter de gekwalificeerde atleten zijn geplaatst.

20.2.2

Indien mogelijk moeten atleten van elk land of ploeg en de atleten met de beste prestaties in alle kwalificatieronden van de wedstrijd in verschillende series worden geplaatst. Als na de eerste ronde deze regel toegepast wordt, zouden de vereiste uitwisselingen tussen series, indien enigszins mogelijk, moeten worden gedaan met atleten die volgens regels TR20.4.3 tot TR20.4.5 in dezelfde "groep van banen" zijn ingedeeld.

20.2.3

Als kwalificatieronden worden gehouden, wordt aanbevolen om bij het indelen van de series zoveel mogelijk gegevens over de prestaties van de atleten in beschouwing te nemen en ervoor te zorgen dat onder normale omstandigheden de beste atleten de finale zullen bereiken.

Hierbij hoort ook het, waar mogelijk, vermijden dat de beste atleten (meestal gebaseerd op prestatie in de kwalificatie of vooraf bepaalde periode, maar ook rekening houdend met zaken als zeer goede recente persoonlijke records) worden geplaatst in dezelfde serie, wat ook geldt voor atleten uit hetzelfde team of land.

In al dergelijke gevallen moeten aanpassingen van de plaatsing worden gedaan na de initiële toewijzing voor de series maar vóór een loting wordt gedaan voor de banen. Nadat deze veranderingen zijn aangebracht zou door een laatste controle moeten worden vastgesteld dat de series van gelijkwaardige sterkte zijn.

Bij het toepassen van deze principes zou de uitwisseling van atleten moeten plaatsvinden:
a. in de eerste ronde, tussen atleten met een vergelijkbare plaats op de ranglijst van beste geldige prestaties tijdens de vooraf bepaalde periode, en
b. in latere ronden, tussen atleten die in dezelfde "groep van banen" zijn geplaatst volgens regels TR20.4.3 tot TR20.4.5

Groene tekst

Tenzij in de desbetreffende wedstrijdbepalingen anders is vastgelegd moet in grote wedstrijden de plaatsing gebaseerd zijn op de beste tijd die door elke atleet is behaald onder geldige omstandigheden (inclusief de windsnelheden bij de relevante onderdelen) tijdens de vooraf bepaalde periode.
Deze periode kan worden vermeld in de wedstrijdbepalingen of in een document waarin de toelatingseisen en normen voor de wedstrijd worden vermeld. Indien zulke bepalingen ontbreken, dan zou de "season best" gebruikt moeten worden, tenzij de Technisch Gedelegeerde(n) of de organisatoren beslissen dat voor één, enkele of alle onderdelen de omstandigheden rechtvaardigen dat een andere periode of andere criteria zullen worden toegepast.
Prestaties behaald tijdens training of testjes, zelfs als het lijkt op een wedstrijdvorm, of ideeën over wat een atleet zou kunnen presteren maar nooit heeft bereikt, mogen niet in aanmerking worden genomen bij de plaatsing.
De vereiste van de regel met betrekking tot de "best presterende atleten" vergt enige afwijking van het hierboven beschreven, strikte protocol. Bijvoorbeeld, een atleet die normaal gesproken op een hoge positie zou worden geplaatst heeft misschien geen of slechts een matige geldige prestatie in de vooraf bepaalde periode behaald (d.w.z. is geblesseerd, ziek of om enige reden niet deelnamegerechtigd geweest, of heeft in het geval van korte baan wedstrijden alleen een outdoorprestatie). Terwijl hij normaal gesproken lager of onderaan de plaatsingslijst zou worden geplaatst, moet(en) de Technisch Gedelegeerde(n) overwegen de plaatsing aan te passen. Soortgelijke principes moeten worden toegepast om in een kwalificatieronde een confrontatie te vermijden tussen atleten die worden beschouwd als de favorieten voor een hoge klassering, terwijl ze op basis van de resultaten van de vorige ronde strikt genomen in dezelfde serie zouden moeten lopen. Tevens moeten aanpassingen worden gemaakt om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat atleten uit hetzelfde land of team in verschillende series worden ingedeeld.
Het volgen van deze principes is nog belangrijker in wedstrijden waarin het aantal ronden bij sommige onderdelen is beperkt. Dit maakt een goede en weloverwogen plaatsing van vitaal belang om zowel een eerlijke als een voor de atleten aantrekkelijke wedstrijd neer te zetten.
Voor wedstrijden op een lager niveau kan(kunnen) de Technisch Gedelegeerde(n) of de organisatoren overwegen om andere principes te gebruiken om een vergelijkbaar eindresultaat te bereiken.

Plaatsing en samenstelling van de series

20.3

Plaatsing en samenstelling van de series dient als volgt te gebeuren:

20.3.1

Voor de eerste ronde moeten de atleten worden gerangschikt waarbij de plaatsing wordt bepaald door de lijst met prestaties die zijn behaald in de vastgestelde periode, of in overeenstemming met de geldende wedstrijdbepalingen.

20.3.2

Na de eerste ronde
a. voor looponderdelen tot en met 400 m en estafettes tot en met 4 x 400 m moeten de atleten worden ingedeeld aan de hand van de tijden en plaatsen in elke voorgaande ronde. Hiervoor is het nodig de atleten in de navolgende volgorde te plaatsen:

  • snelste seriewinnaar;
  • 2e snelste seriewinnaar;
  • 3e snelste seriewinnaar, etc.
  • snelste 2e plaats;
  • 2e snelste 2e plaats;
  • 3e snelste 2e plaats, etc.
  • eindigend met
  • tijd snelste;
  • op een na tijd snelste;
  • op twee na tijd snelste, etc.
    b. voor de indeling van de series bij de andere looponderdelen moet men gebruik blijven maken van de oorspronkelijk opgegeven prestaties eventueel aangepast met prestatieverbeteringen in eerdere ronden.

20.3.3

In elk geval moeten de atleten vervolgens in volgorde van plaatsing volgens een zigzagverdeling in de series worden ingedeeld, 3 series zouden dan bijvoorbeeld als volgt moeten worden ingedeeld:

A1671213181924
B2581114172023
C3491015162122

20.3.4

Nadat de samenstelling van de series is vastgesteld moet in alle gevallen de volgorde waarin de series worden gelopen door loting worden bepaald.

Groene tekst

Voor de eerste ronde is het aanvaardbaar en normaal om in races tot en met 400 m extra beschikbare banen te gebruiken (bijvoorbeeld een negende baan) en bij de start van een 800 m race meer dan één atleet in een baan te hebben, om zo het aantal benodigde series te verminderen.
De willekeurige loting om de volgorde te bepalen waarin de series worden gelopen is gebaseerd op eerlijkheid. In midden- en langeafstand-races weten de atleten in de laatste serie welke tijd zij zullen moeten lopen om als tijd snelste door te kunnen gaan. Zelfs bij kortere afstanden is er een eerlijkheidsaspect omdat weersomstandigheden kunnen veranderen (plotselinge regenval of veranderen van de windsnelheid of -richting). Eerlijkheid gebiedt dat de volgorde moet worden bepaald door het toeval.

Loting voor banen

20.4

Als de looponderdelen tot en met 800 m en estafettes tot en met 4 x 400 m in meerdere ronden worden verwerkt, dan moet de indeling in banen als volgt worden vastgesteld:

20.4.1

tenzij in de geldende wedstrijdbepalingen anders is voorzien, moet in de eerste ronde en in alle toegevoegde kwalificatieronden volgens regel TR20.1, de indeling in banen door loting worden vastgesteld;

20.4.2

voor alle ronden na de eerste ronde moeten de atleten in de volgorde worden geplaatst, volgens de procedure zoals omschreven in regel TR20.3.2(a) of, voor de 800 m volgens regel TR20.3.2(b);

Voor een accommodatie met 8 banen vinden daarna drie lotingen voor de baanindeling plaats. Op accommodaties met minder of meer dan acht banen kunnen de volgende procedures met de benodigde aanpassingen worden gevolgd.

20.4.3

Voor races op het rechte deel van de baan:
a. een loting voor de vier hoogst geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 3, 4, 5 en 6;
b. een andere voor de als vijfde en zesde geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 2 en 7;
c. een andere voor de twee laagst geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 1 en 8.

20.4.4

Voor 200 m races:
a. een loting voor de drie hoogst geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 5, 6 en 7;
b. een andere voor de als vierde, vijfde en zesde geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 3, 4 en 8;
c. een andere voor de twee laagst geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 1 en 2.

20.4.5

Voor 400 m races, alle estafettes tot en met de 4 x 400 m en 800 m races gestart in banen:
a. een loting voor de vier hoogst geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 4, 5, 6 en 7;
b. een andere voor de als vijfde en zesde geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 3 en 8;
c. een andere voor de twee laagst geplaatste atleten of ploegen om de plaats te bepalen in de banen 1 en 2.

Opmerking (i)

Bij de 800 m kunnen er per baan een of twee atleten worden ingedeeld. Echter. in wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition zal genoemde procedure onder normale omstandigheden uitsluitend in de eerste ronde worden toegepast, tenzij er door gelijk eindigen of door beslissingen van de scheidsrechter of van de jury d'appel meer atleten aan een serie van een vervolgronde deelnemen dan was voorzien.

In wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (e), 2 (e) en 3. van de definitie van World Rankings Competition, kunnen 800 m wedstrijden ook worden gelopen zonder gebruik van de banen, maar door te starten vanachter een gebogen startlijn of door groepsstarts.

Opmerking (ii)

Voor elke 800 m race, met inbegrip van de finale, waar om welke reden dan ook meer atleten deelnemen dan er banen beschikbaar zijn, moet de Technisch Gedelegeerde beslissen voor welke banen er meer dan een atleet zal worden geloot.

Opmerking (iii)

als het aantal beschikbare banen groter is dan het aantal deelnemende atleten, dan moet(en) altijd de binnenbaan(banen) vrijgehouden worden.

Groene tekst

Met betrekking tot opmerking (ii) is er geen exacte beschrijving over hoe de Technisch Gedelegeerden moeten handelen omdat de situaties die ertoe kunnen leiden, sterk kunnen variëren. Dit probleem heeft echter alleen invloed op het lopen van de eerste bocht en is minder belangrijk dan de toewijzing van banen bij kortere afstanden. Het wordt aanbevolen dat de Technisch Gedelegeerde(n) de extra atleet / atleten in die baan / banen plaatst / plaatsen waar de dubbele bezetting het minste ongemak zal veroorzaken. Meestal zullen dat de buitenste banen zijn zodat de atleten niet samen door een krappere bocht lopen.
Wat opmerking (iii) betreft, waar een accommodatie meer dan acht banen beschikbaar heeft, dient / dienen de Technisch Gedelegeerde(n) of de organisatoren vooraf te beslissen welke banen voor dit doel moeten worden gebruikt. Bijvoorbeeld, in het geval van een 9-laans rondbaan wordt baan één niet gebruikt in gevallen waar minder dan negen atleten deelnemen aan een race. In dat geval wordt bij de toepassing van regel TR20.4, baan 2 beschouwd als baan 1, baan 3 als baan 2, enzovoort.

20.5

Bij wedstrijden die gehouden worden volgens de bepalingen van paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition, looponderdelen langer dan 800 m, estafettes langer dan 4 x 400 m en onderdelen die in één ronde (finale) verwerkt kunnen worden, moet de indeling in banen, respectievelijk de startpositie door loting worden vastgesteld.

20.6

Als besloten wordt om bij een looponderdeel in plaats van series en finales alleen maar series te laten lopen, dan moeten de bepalingen voor die wedstrijd alle van belang zijnde overwegingen beschrijven, zoals indeling en loting en de methode volgens welke de uiteindelijke uitslag wordt vastgesteld.

20.7

Een atleet mag niet starten in een andere serie of baan dan waarin hij is ingedeeld, behalve als er naar de mening van de Technisch Gedelegeerde(n) of van de scheidsrechter omstandigheden zijn, die een andere indeling rechtvaardigen.

Doorgaan naar volgende ronden

20.8

In alle kwalificatieronden zouden, als dit praktisch mogelijk is, tenminste de eerste twee geplaatsten van iedere serie in de volgende ronde moeten worden geplaatst en het wordt aanbevolen om indien mogelijk de eerste drie van iedere serie over te laten gaan naar de vervolgronde.

Behalve als regel TR21 van toepassing is, worden andere atleten voor een volgende ronde geplaatst op grond van de bereikte plaats of de gelopen tijd volgens regel TR20.2, de van toepassing zijnde wedstrijdbepalingen, of zoals vastgesteld door de Technisch Gedelegeerde(n). Als atleten zich kwalificeren op basis van hun tijden, dan mag slechts één methode van tijdmeting worden gebruikt.

Opmerking

Als bij looponderdelen over afstanden groter dan 800 meter verschillende ronden worden gelopen, dan wordt aanbevolen om slechts een klein aantal atleten op basis van tijd te laten kwalificeren.

Groene tekst

Als in de wedstrijdbepalingen overgangsregels zijn voorgeschreven, is het gebruikelijk dat het principe zoals beschreven in regel TR20.8 zal worden gevolgd. Als dat niet het geval is, dan zouden de Technisch Gedelegeerden of de organisatoren dezelfde principes moeten volgen bij het opstellen van de overgangsregels.
Er zullen echter gevallen zijn waar afgeweken kan worden van regel TR21, vooral wanneer twee of meer atleten gelijk eindigen voor de laatste plaats die recht geeft op kwalificatie op basis van plaats. In zulke gevallen kan het zijn dat er een atleet minder doorgaat op basis van tijd. In omstandigheden waar er een extra baan beschikbaar is, of in het geval van de 800 m (waar bij de start meer dan één atleet in een baan kan worden geplaatst) of bij een onderdeel waarbij niet in banen wordt gelopen, kan / kunnen de Technisch Gedelegeerde(n) besluiten om een extra atleet door te laten gaan.
Vanwege de bepaling in regel TR20.8 dat wanneer atleten op basis van tijd gekwalificeerd worden slechts één systeem van tijdwaarneming kan worden toegepast, is het belangrijk dat back-up tijdwaarneming systemen beschikbaar zijn voor kwalificatieronden voor het geval dat het primaire systeem (meestal fotofinish) faalt. In het geval dat alleen tijden uit verschillende tijdwaarneming systemen beschikbaar zijn voor twee of meer series, zouden de Technisch Gedelegeerden in overleg met de scheidsrechter looponderdelen, binnen de specifieke wedstrijdomstandigheden moeten bepalen wat de eerlijkste methode is om te bepalen welke atleten doorgaan naar de volgende ronde. Wanneer extra banen beschikbaar zijn, wordt aanbevolen deze mogelijkheid als eerste te overwegen.

Eendaagse wedstrijden

20.9

In wedstrijden die vallen onder paragrafen 1. (d) en 2. (d) van de definitie van World Rankings Competition mogen atleten worden ingedeeld en / of hun banen worden toegewezen in overeenstemming met de van toepassing zijnde wedstrijdbepalingen of elke andere methode vastgesteld door de organisatoren maar dit moet bij voorkeur vooraf worden gemeld aan de atleten en hun vertegenwoordigers.

Groene tekst

Bij invitatiewedstrijden waar maar één finaleronde is, maar meer dan één serie, moeten de series worden samengesteld volgens enig toepasbare wedstrijdbepaling voor de wedstrijd of de reeks wedstrijden waarvan het onderdeel deel uitmaakt. Als die ontbreken dan is het gebruikelijk dat de toewijzing van atleten aan de verschillende series door de organisatoren wordt gedaan, of desgewenst door de aangewezen Technisch Gedelegeerde(n).
Soortgelijke overwegingen zijn van toepassing op hoe de definitieve rangschikking van de atleten bij die onderdelen zal worden opgemaakt. In sommige wedstrijden worden de series anders dan de A-serie, beschouwd als aparte series en worden niet in aanmerking genomen voor de "overall" rangschikking, maar in andere wedstrijden worden de resultaten van meer dan één serie gecombineerd om tot een "overall" rangschikking te komen. Het wordt ten zeerste aangeraden om dit, ongeacht welke regeling op de wedstrijd van toepassing is, vooraf duidelijk aan de deelnemers bekend te maken, aangezien het gevolgen kan hebben voor prijzengeld en andere overwegingen.

Minimumtijden tussen ronden

20.10

De volgende minimumtijden moeten - zo mogelijk - worden aangehouden tussen de laatste serie van een vorige ronde en de eerste serie van een volgende ronde of de finale:
tot en met 200 m: 45 minuten
langer dan 200 m tot en met 1 000 m: 90 minuten
langer dan 1 000 m: niet op dezelfde dag

21 Gelijk eindigen

21.1

Als de jury aankomst of het jurylid fotofinish niet in staat is de volgorde van de atleten te bepalen op basis van de regels TR18.2, TR19.17, TR19.21 of TR19.26 (voor zover van toepassing), moet besloten worden dat die atleten gelijk geëindigd zijn en blijft de uitslag onveranderd staan.

Vaststelling rangschikking bij gelijke stand (volgens regel TR20.3.2)

21.2

Als er een gelijke stand is in een rangschikking volgens regel TR20.3.2, dan moet de chef fotofinish de door de atleten werkelijk geregistreerde tijden op 0,001 seconde in beschouwing nemen. Als deze ook gelijk zijn, dan blijft het een gelijke stand en moet de (hogere) plaats op de ranglijst door loting worden vastgesteld.

If there is a tie for any ranking position under Rule 20.3.2 of the Technical Rules, the Chief Photo Finish Judge shall consider the actual times recorded by the athletes to 0.001 second and if it is equal, the tie shall remain and lots shall be drawn to determine the higher ranking position.

Vaststelling kwalificatie op basis van plaats bij een gelijke stand

21.3

Als er na toepassing van regel TR21.1 voor de vaststelling van de kwalificatie gebaseerd op plaats een gelijke stand is dan moeten, als er banen of posities beschikbaar zijn (inclusief een dubbele baanbezetting bij de 800 m races), de atleten met een gelijke stand in de volgende ronde worden geplaatst. Als dat niet uitvoerbaar is, dient de hogere plaats door loting te worden vastgesteld.

21.4

Als kwalificatie voor de volgende ronde is gebaseerd op plaats en tijd (bijv. de eerste drie van iedere serie plus de volgende twee tijdsnelsten) en er is een gelijke stand voor de laatste kwalificatieplaats gebaseerd op plaats, dan moeten de atleten met een gelijke plaats in de volgende ronde worden geplaatst en moet het aantal atleten dat zich kwalificeert op tijd worden verminderd.

Vaststelling kwalificatie op basis van tijd bij een gelijke stand.

21.5

Als kwalificatie voor de volgende ronde is gebaseerd op tijd en er is een gelijke stand voor de laatste kwalificatieplaats dan moet de chef fotofinish de door de atleten werkelijk geregistreerde tijden op 0,001 seconde in beschouwing nemen. Als deze ook gelijk zijn, dan moet worden besloten dat er een gelijke stand is. Als er banen of posities beschikbaar zijn (inclusief een dubbele baanbezetting bij de 800 m races), dan moeten de atleten met een gelijke stand in de volgende ronde worden geplaatst. Als dit niet uitvoerbaar is, moet er door loting beslist worden welke atleten in de volgende ronde moeten worden geplaatst.

22 Hordeloop

22.1

De standaardafstanden moeten zijn:

Mannen, U20 mannen en U18 mannen: 110 m, 300 m, 400 m;

Vrouwen, U20 vrouwen en U18 vrouwen: 100 m, 300 m, 400 m.

Voor de 100 m, 110 m en 400m horden moeten in iedere baan tien horden zijn geplaatst, voor de 300 m horden moeten er in iedere baan zeven horden zijn geplaatst. De horden moeten worden geplaatst volgens onderstaand schema:

Mannen, U20 mannen, U18 mannen

LoopafstandAfstand van de startlijn tot de eerste hordeAfstand tussen de hordenAfstand van de laatste horde tot de finishlijn
110 m13,72 m9,14 m14,02 m
300 m50,00 m35,00 m40,00 m
400 m45,00 m35,00 m40,00 m

Vrouwen, U20 vrouwen, U18 vrouwen

LoopafstandAfstand van de startlijn tot de eerste hordeAfstand tussen de hordenAfstand van de laatste horde tot de finishlijn
100 m13,00 m8,50 m10,50 m
300 m50,00 m35,00 m40,00 m
400 m45,00 m35,00 m40,00 m

De horde moet zodanig in de baan worden geplaatst, dat de voetstukken zich bevinden aan de kant vanwaar de atleet nadert. Het verticale vlak door de voorzijde van de dwarslat, gezien vanaf de naderende hordeloper, moet samenvallen met de voorkant van de belijning, gezien in de looprichting.

22.2

De horde moet zijn vervaardigd van metaal of van een ander geschikt materiaal en de dwarslat moet van hout of van een ander geschikt materiaal (dat niet uit metaal bestaat) zijn gemaakt. De horde moet zijn samengesteld uit twee voetstukken en twee staanders, die een rechthoekig raam versterkt door één of twee kruislatten, ondersteunen. De staanders moeten zijn bevestigd aan de uiteinden van de voetstukken. De horde moet zodanig zijn ontworpen, dat tenminste een horizontale kracht van 3,6 kg tegen het midden van de bovenkant van de dwarslat nodig is om haar te laten kantelen. De hoogte van de horde mag verstelbaar zijn. De contragewichten moeten zodanig ingesteld kunnen worden, dat voor iedere hordehoogte een kracht van tenminste 3,6 kg en niet meer dan 4 kg nodig is om de horde te laten kantelen.

De maximale doorbuiging van de dwarslat (inclusief een eventuele doorbuiging van de staanders) mag, als er op het midden een horizontale kracht wordt uitgeoefend die overeenkomt met een gewicht van 10 kg, niet meer dan 35 mm zijn.

Fig. (a) TR22 - Voorbeeld van een horde

Fig. (b) TR22 - Voorbeeld van een horde

22.3

Afmetingen: De standaardhoogten van de horden zijn:

AfstandMannenU20 mannenU18 mannenVrouwen, U20 vrouwenU18 vrouwen
110 m / 100 m1,0670,9910,9140,8380,762
300 m0,9140,9140,8380,7620,762
400 m0,9140,9140,8380,7620,762

Alle afmetingen in m

Opmerking

Als gevolg van hoogteverschillen van horden van verschillende merken zijn voor de U20 mannen hordehoogten tot 1,000 m acceptabel.

In verband met variaties in de productieprocessen van de horden is in de hoogte - zowel naar boven als naar beneden - een tolerantie toegestaan van 3 mm. De horde moet 1,18 m tot 1,20 m breed zijn. De voetstukken mogen niet langer zijn dan 0,70 m. Het totale gewicht van de horde moet tenminste 10 kg zijn.

22.4

De hoogte van de dwarslat moet 70 mm ± 5 mm zijn. De dikte van de lat mag variëren van 10 mm tot 25 mm en de bovenranden moeten zijn afgerond. De dwarslat moet stevig aan de staanders zijn bevestigd.

22.5

De dwarslat moet zijn voorzien van zwarte en witte strepen of andere contrasterende kleuren (en ook afwijkend van de omgevingskleuren), waarbij de lichtere strepen, die tenminste 0,225 m breed moeten zijn, zich aan de buitenzijden bevinden. De latten moeten zodanig zijn gekleurd dat ze zichtbaar zijn voor atleten met normaal gezichtsvermogen.

22.6

Alle hordewedstrijden moeten in banen worden gelopen en iedere atleet moet gedurende de gehele afstand over elke horde gaan en in zijn eigen baan blijven. Als hij dit niet doet moet hij worden gediskwalificeerd, tenzij regel TR17.3 van toepassing is.

Daarnaast moet een atleet worden gediskwalificeerd als hij:

22.6.1

tijdens de hordepassage met zijn voet of been naast de horde (aan één van de zijden) en onder het horizontale vlak door de bovenzijde van de horde sleept; of

22.6.2

hij met zijn handen, zijn lichaam of met de voorkant van zijn opzwaaibeen een horde omverwerpt of verplaatst.

22.6.3

hij door een directe of indirecte actie een horde in zijn eigen of in een andere baan omver werpt of verplaatst, zodanig dat een andere atleet / andere atleten in de wedstrijd er door beïnvloed of gehinderd wordt/worden en / of ook een andere regel wordt overtreden.

Als de horde niet verplaatst wordt, of de hoogte op geen enkele manier verlaagd wordt (inclusief het kantelen in welke richting dan ook), dan mag een atleet op iedere manier over de horde gaan, als tenminste op alle andere punten dit reglement wordt nageleefd.

Groene tekst

De eis om over elke horde te gaan moet niet worden gelezen als de eis dat iedere atleet over elke horde in zijn eigen baan moet gaan - vooropgesteld dat altijd de bedoeling van TR17.1 en TR17.3 wordt nageleefd. Maar wanneer een atleet een horde omver werpt of een horde in een andere baan verplaatst en daardoor de loop van een andere atleet beïnvloedt, moet hij worden gediskwalificeerd.
Situaties waarbij een atleet een horde in een andere baan omver werpt of verplaatst, moeten op een logische manier worden geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld, een atleet die een horde omver werpt of verplaatst in de baan van een atleet die al over die horde is gegaan hoeft niet per se te worden gediskwalificeerd, tenzij hij op een andere manier het reglement overtreedt, bijvoorbeeld door in de bocht in een meer naar binnen gelegen baan te gaan lopen of tijdens de hordepassage (aan één van de zijden) met zijn voet of been onder het horizontale vlak door de bovenzijde van de horde sleept. De bedoeling van deze regel is om duidelijk te maken dat een atleet die bij het doen van zo'n actie een andere atleet beïnvloedt, zich blootstelt aan diskwalificatie.
Scheidsrechters en baancommissarissen moeten niettemin opletten en er zeker van zijn dat iedere atleet binnen zijn eigen baan is gebleven. Daarbij is het in hordewedstrijden normaal dat atleten hun armen uitslaan wanneer zij over de horde gaan en zo de atleet in de naastgelegen baan kunnen raken of hinderen. Dit kan het beste worden opgemerkt door baancommissarissen of een videocamera die de atleten van voren ziet. In dit opzicht kan regel TR17.1 worden toegepast.
Regel TR22.6.1 is van toepassing op beide benen van de hordeloper. Het omver werpen van de horde is op zichzelf geen reden voor diskwalificatie. De vroegere verwijzing naar het opzettelijk omver werpen van de horde is geschrapt. In regel TR22.6.2 is dit vervangen door enkele meer objectieve factoren die door de scheidsrechter in overweging kunnen worden genomen. Het meest duidelijke voorbeeld is wanneer de atleet daarbij zijn hand gebruikt maar bijvoorbeeld ook als hij met zijn borst "door de horde" loopt.
De voorkant van het opzwaaibeen omvat de hele voorkant van het opzwaaibeen, vanaf het bovenste deel van de dij tot aan de punt van de voet.
Met betrekking tot de opmerking: dit is hoofdzakelijk relevant voor wedstrijden op een lager niveau maar is niettemin op iedereen van toepassing. In wezen staat het een atleet toe om bijvoorbeeld zijn handen op de horde te plaatsen en eroverheen te klimmen wanneer hij is gevallen of zijn pasritme kwijt is.

22.7

Met uitzondering van wat in regel TR22.6.2 en TR22.6.3 is bepaald, leidt het omverwerpen van horden niet tot diskwalificatie, noch zal dit het vestigen van een record in de weg staan.

23 Steeplechase

23.1

De standaardafstanden moeten zijn 2 000 m en 3 000 m.

23.2

Bij de 3 000 m steeplechase moeten de atleten 28 keer over een hindernis en 7 keer over de waterbak springen. Er mogen vanaf de start tot aan het begin van de eerste volledige ronde geen hindernissen worden opgesteld. De hindernissen die hier zouden moeten staan, mogen pas worden geplaatst zodra de atleten aan de eerste volledige ronde zijn begonnen.

23.3

Bij de 2 000 m steeplechase moeten de atleten 18 keer over een hindernis en 5 keer over de waterbak springen. Er wordt als eerste over de derde hindernis van een ronde gesprongen. De hindernissen die er vóór zouden moeten staan, mogen pas worden geplaatst als de atleten de plaats van die hindernissen de eerste keer gepasseerd zijn.

Opmerking

Als de waterbak zich aan de binnenkant van de loopbaan bevindt, moet bij de 2 000 m steeplechase de finishlijn twee keer zijn gepasseerd, voordat de eerste keer aan de ronde met vijf hindernissen wordt begonnen.

23.4

Bij de steeplechase moeten er in een volledige ronde 5 hindernissen staan, waarbij de waterbak steeds als vierde hindernis fungeert. De hindernissen zouden gelijkelijk over de baan moeten worden verdeeld, zodat de afstand tussen twee hindernissen ongeveer gelijk is aan 1/5e deel van de lengte van een ronde.

Opmerking

Aanpassing van de afstand tussen de hindernissen kan nodig zijn om ervoor te zorgen dat er een veilige afstand tussen een hindernis en de startlijn en tussen een volgende hindernis voor en na de finishlijn kan worden gehandhaafd zoals aangegeven in de World Athletics "Track and Field Facilities Manual".

23.5

De hindernissen moeten 0,914 m ± 0,003 m hoog zijn in wedstrijden voor mannen en U20 mannen, 0,838 m ± 0,003 m in wedstrijden voor U18 mannen en 0,762 m ± 0,003 m in wedstrijden voor vrouwen, U20 en U18 vrouwen en moeten tenminste 3,94 m breed zijn.

De doorsnede van de bovenbalk van de hindernissen en van de hindernis voor de waterbak moet vierkant zijn; alle zijden van dit vierkant moeten 0,127 m zijn.

Het gewicht van elke hindernis moet tussen 80 kg en 100 kg zijn. De hindernis moet aan weerszijden op voetstukken steunen, waarvan de afmetingen tenminste 1,20 m en ten hoogste 1,40 m breed zijn (zie figuur (a) TR23).

Fig. (a) TR23 - Voorbeeld van een hindernis

De hindernis bij de waterbak moet 3,66 m ± 0,02 m breed zijn en moet zodanig stevig aan de betonnen wand van de waterbak verankerd zijn, dat er slechts een minimale horizontale beweging mogelijk is.

De bovenbalken, gemaakt van hout of een ander geschikt materiaal, moeten zijn voorzien van witte en zwarte strepen, of van andere duidelijk contrasterende kleuren (en ook afwijkend van de omgevingskleuren) en wel zodanig, dat de lichtere strepen, die tenminste 0,225 m breed moeten zijn, zich aan de buitenzijden bevinden. De balken moeten zodanig zijn gekleurd dat ze zichtbaar zijn voor atleten met normaal gezichtsvermogen.

De hindernis moet zodanig op de baan worden geplaatst, dat ten minste 0,30 m van de bovenbalk in de richting van het middenveld buiten de baan uitsteekt.

Opmerking

Aanbevolen wordt dat de eerste hindernis waarover bij wedstrijden moet worden gegaan tenminste 5 m breed is.

23.6

De waterbak, inclusief de hindernis, moet 3,66 m ± 0,02 m breed en 3,66 m ± 0,02 m lang zijn.

De bodem van de waterbak moet bestaan uit een kunststof oppervlak of matwerk van voldoende dikte om een veilige landing te waarborgen en om de spikes voldoende grip te geven. Het water direct na de hindernis moet 0,50 m ± 0,05 m diep zijn over een afstand van ongeveer 1,20 m. Vanaf daar loopt de bodem onder een gelijkblijvende hoek van 12,4º ± 1 º geleidelijk op naar het niveau van de baan aan het einde van de waterbak. Bij de start van de wedstrijd moet het water zich, binnen een marge van 20 mm, op hetzelfde niveau als het oppervlak van de baan bevinden.

Opmerking

Waterbakken die voldoen aan de specificaties van 2018 / 2019 blijven aanvaardbaar.

23.7

Elke atleet moet zich door het water voortbewegen of eroverheen springen en hij moet, ongeacht de wijze waarop, over iedere hindernis gaan. Als hij dit niet doet moet hij worden gediskwalificeerd.

Daarnaast moet een atleet worden gediskwalificeerd, als hij:

23.7.1

op een van de zijranden van de waterbak stapt, of

23.7.2

tijdens de passage van de hindernis met zijn voet of been, naast een van beide zijden van de hindernis, onder het horizontale vlak door de bovenzijde van de hindernis komt.

Met inachtneming van het hiervoor bepaalde, mag een atleet op elke willekeurige manier de hindernissen passeren.

Fig. (b) TR23 - De waterbak

24 Estafettes

24.1

De standaard afstanden moeten zijn: 4 x 100 m, 4 x 100 m gemengd, 4 x 200 m, 100 m - 200 m - 300 m - 400 m (medley relay), 4 x 400 m, 4 x 400 m gemengd, 4 x 800 m, 1 200 m - 400 m - 800 m - 1 600 m (afstands medley relay), 4 x 1 500 m.

Opmerking

Bij de medley relay mogen de verschillende afstanden ook in een andere volgorde gelopen worden. In dat geval moet de toepassing van de bepalingen in de regels TR24.3, TR24.16 en TR24.22 worden aangepast.

24.2

Op de baan moeten 50 mm brede lijnen worden aangebracht om het begin van de te lopen deelafstanden aan te geven.

24.3

Bij de 4 x 100 m, de 4 x 100 m gemengd, de 4 x 200 m estafettes en de eerste en tweede wissels van de medley relay moet iedere wisselzone 30 meter lang zijn, waarin op 20 meter vanaf het begin van de wisselzone een korte lijn in de baan is getrokken. Bij de derde wissel in de medley relay en bij de 4 x 400 m, 4 x 400 m gemengd en langere estafettes moet iedere wisselzone 20 meter lang zijn met een korte lijn in het midden van die zone. De wisselzones moeten beginnen en eindigen op de rand van de lijn die in de looprichting het dichtste bij de start ligt. Bij iedere wissel in banen moet een daarvoor aangewezen baancommissaris erop toezien dat de atleten op de juiste wijze hun plaats in het wisselzone innemen. Deze aangewezen baancommissaris moet er ook op toezien dat regel TR24.4 wordt nageleefd.

Groene tekst

De wisselpuntcommissarissen moeten ervoor zorgen dat iedere atleet van elk team zijn positie in de juiste baan inneemt. De startcommissarissen zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de startlopers en zorgen ervoor dat zij allen een estafettestokje hebben. Zij kunnen ook worden aangesteld om te assisteren bij wisselzones die zich bij de startlijn bevinden. De chefs voor elke wisselzone en hun wisselpuntcommissarissen zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de volgende lopers. Wanneer alle atleten op de juiste plaats zijn opgesteld moet de chef dit melden aan de betreffende andere officials met een afgesproken communicatiemiddel, bij grote wedstrijden normaliter per portofoon.
Zij moeten er ook voor zorgen dat bij elke wissel de voeten van de ontvangende lopers geheel binnen de wisselzone zijn voordat zij beginnen met hun loop / beweging die eindigt met het overnemen van het stokje. Deze loop / beweging mag op geen enkel punt buiten de wisselzone beginnen.

24.4

Als een estafette geheel of gedeeltelijk in aparte banen wordt gelopen, mag de atleet in zijn eigen baan één merkteken met kleefband met maximale afmetingen van 0,05 m x 0,40 m aanbrengen in een kleur die niet verward kan worden met andere, bestaande markeringen. Andersoortige merktekens mogen niet worden gebruikt. De baancommissarissen moeten de desbetreffende atleet opdracht geven de markeringen of voorwerpen die niet aan deze regel voldoen aan te passen of te verwijderen. Als hij dit niet doet moeten de baancommissarissen deze markeringen of voorwerpen verwijderen.

Opmerking

Ernstige gevallen kunnen verder worden afgehandeld volgens de regels TR7.1 en TR7.3.

24.5

Bij alle estafettes in een stadion moet een estafettestok worden gebruikt die tijdens de gehele wedstrijd in de hand moet worden gehouden. In ieder geval bij wedstrijden volgens paragrafen 1. (a), (b), (c) en 2. (a), (b) van de definitie van World Rankings Competition moeten alle estafettestokken genummerd zijn en verschillende kleuren hebben; er mag een transponder in aangebracht zijn.

De estafettestok moet bestaan uit een gladde holle koker met een cirkelvormige doorsnede, gemaakt van hout of metaal of van een ander stevig materiaal. De estafettestok moet uit één stuk bestaan en mag niet langer dan 0,30 m en niet korter dan 0,28 m zijn. De buitendiameter moet 40 mm ± 2 mm zijn en het gewicht moet tenminste 50 g zijn. De stok moet een zodanige kleur hebben dat deze tijdens de wedstrijd goed zichtbaar is.

Het is de atleten niet toegestaan om handschoenen te dragen of om een substantie waarmee een betere grip op de stok verkregen wordt (anders dan toegestaan volgens regel TR6.4.3) op de handen of op de estafettestok aan te brengen.

Als een atleet deze regel overtreedt, dan moet zijn team worden gediskwalificeerd.

Opmerking

Indien mogelijk moet de toewijzing van een kleur aan iedere baan of startpositie op de startlijst worden aangegeven.

24.6

Als de estafettestok valt, moet deze worden opgeraapt door de atleet die de estafettestok heeft laten vallen. Hij mag zijn baan verlaten om de estafettestok op te pakken, op voorwaarde dat hierbij de te lopen afstand niet verkort wordt. Bovendien, als de estafettestok zijwaarts of naar voren in de looprichting (met inbegrip van een plaats voorbij de finishlijn) is gevallen, dan moet de atleet die de estafettestok heeft laten vallen, nadat hij die opgeraapt heeft terugkeren naar het punt waar hij het laatst de estafettestok in zijn hand had, voordat hij verder kan gaan met zijn race. Als deze procedures, indien van toepassing, worden aangehouden en hierbij geen andere atleten worden gehinderd, zal het laten vallen van de estafettestok geen diskwalificatie tot gevolg hebben. Als een atleet deze regels niet volgt, dan zal zijn ploeg worden gediskwalificeerd.

24.7

De estafettestok moet binnen de wisselzone worden overgegeven. De overdracht van de estafettestok begint op het moment dat deze door de ontvangende loper wordt aangeraakt en is voltooid op het moment dat deze zich alleen in de hand van de ontvangende loper bevindt. Binnen de wisselzone is alleen de plaats van de estafettestok bepalend. Als de estafettestok buiten de wisselzone wordt overgegeven moet het team worden gediskwalificeerd. Regel TR17.3.2 moet worden toegepast indien relevant.

Groene tekst

De toepassing van regel TR17.3.2 kan noodzakelijk zijn als een atleet, bij het overgeven van de estafettestok, binnen de wisselzone buiten de hem toegewezen baan stapt zonder dat hij daar voordeel van had en zonder dat hij een of meerdere andere atleten heeft gehinderd. Bij het vaststellen van de positie van het stokje moet het gehele stokje worden beschouwd. Wisselpuntcommissarissen moeten zorgvuldig zijn om ervoor te zorgen dat zij enig contact kunnen zien tussen de ontvangende loper en het stokje voordat het stokje de wisselzone binnenkomt. Als de ontvangende loper het stokje ook maar aanraakt voordat het stokje zich in de wisselzone bevindt zal het team worden gediskwalificeerd. Zij moeten zich er ook van verzekeren dat het stokje zich enkel in de hand van de vertrekkende atleet bevindt voordat het de wisselzone verlaat.

24.8

Tot het moment dat de estafettestok uitsluitend in de handen van de ontvangende atleet is, moet regel TR17.3 alleen toegepast worden op de aankomende atleet. Daarna moet deze regel uitsluitend worden toegepast op de ontvangende atleet.

Bovendien moeten atleten voor het ontvangen en / of na het overgeven van de estafettestok in hun baan of zone blijven tot de baan vrij is om zodoende het hinderen van andere atleten te vermijden. Op deze atleten zijn hierbij de regels TR17.2 en TR17.3 niet van toepassing. Als echter een atleet na een wissel een atleet van een andere ploeg hindert door zijn positie te veranderen of zijn baan te verlaten, moet regel TR17.1 worden toegepast.

24.9

Als tijdens de race een atleet de estafettestok van een ander team aanneemt of opraapt, moet zijn team worden gediskwalificeerd. Het andere team zou dan niet moeten worden bestraft, tenzij er een duidelijk voordeel is verkregen.

24.10

Ieder lid van een estafetteploeg mag slechts een van de deelafstanden lopen. Van alle atleten die zijn ingeschreven voor de desbetreffende wedstrijd mogen er, ongeacht het onderdeel waarvoor zij zijn ingeschreven, voor iedere ronde steeds vier worden aangewezen voor deelname aan de estafette. Als echter een estafetteploeg in een bepaalde samenstelling aan de wedstrijd heeft deelgenomen, dan mogen er in totaal tot maximaal vier atleten als vervanging in de samenstelling van dat team worden gebruikt. Estafetteploegen die zich niet aan deze regel houden moeten worden gediskwalificeerd.

24.11

In de 4 x 100 m gemengd moet ieder team bestaan uit twee mannen en twee vrouwen. De volgorde waarin gelopen moet worden is: vrouw - vrouw - man - man.

24.12

In de 4 x 400 m gemengd moet ieder team bestaan uit twee mannen en twee vrouwen. De volgorde waarin gelopen moet worden is: man - vrouw - man - vrouw

24.13

De samenstelling van de ploeg en de volgorde waarin wordt gelopen moeten uiterlijk één uur vóór de gepubliceerde eerste meldtijd (het tijdstip waarop de atleten in de call room moeten zijn) van de eerste serie van elke ronde van de wedstrijd worden ingediend. De ploeg moet lopen met de atleten en in de volgorde zoals opgegeven. Als een ploeg deze regel overtreedt, moet die ploeg gediskwalificeerd worden.

24.14

De 4 x 100 m en de 4 x 100 m gemengd moet geheel in banen worden gelopen.

24.15

De 4 x 200 m kan op een van de volgende manieren worden gelopen:

24.15.1

indien mogelijk geheel in banen (vier bochten in banen);

24.15.2

de eerste twee lopers lopen in banen; de derde lopers lopen in banen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn zoals beschreven in regel TR17.5, vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (drie bochten in banen);

24.15.3

alleen de eerste lopers lopen in banen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn zoals beschreven in regel TR17.5, vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (één bocht in banen).

Opmerking

Als er (op een 8-baans accommodatie) niet meer dan vier ploegen starten, en het niet mogelijk is om volgens TR24.15.1 te lopen dan dient TR24.15.3 toegepast te worden.

► NED

In afwijking van het bepaalde in regel TR24.15, wordt in wedstrijden van de Atletiekunie bij het onderdeel 4 x 200 m, ongeacht het aantal deelnemende ploegen, uitsluitend de eerste bocht na de start in banen gelopen.

24.16

In de medley relay zouden de eerste twee lopers in banen moeten lopen; de derde lopers zouden dan in banen moeten lopen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de in regel TR17.5 beschreven overgangslijn, vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (twee bochten in banen).

24.17

De 4 x 400 m en de 4 x 400 m gemengd kan op een van de volgende manieren worden gelopen:

24.17.1

de eerste lopers lopen in banen; de tweede lopers lopen in banen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn zoals beschreven in regel TR17.5, vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (drie bochten in banen);

24.17.2

alleen de eerste lopers lopen in banen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn zoals beschreven in regel TR17.5, vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (één bocht in banen).

Opmerking

Als (op een 8-baans accommodatie) er niet meer dan vier ploegen starten, dient optie (b) te worden gebruikt.

24.18

De 4 x 800 m kan op een van de volgende manieren worden gelopen:

24.18.1

alleen de eerste lopers lopen in banen tot aan de dichtstbijzijnde rand van de overgangslijn zoals beschreven in regel TR17.5, vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (één bocht in banen);

24.18.2

er wordt niet in banen gelopen.

24.19

Als een atleet de bepalingen van de regels TR24.15, TR24.16, TR24.17 of TR24.18.1 niet opvolgt, dan moet zijn team worden gediskwalificeerd.

24.20

Bij de afstands medley relay en de 4 x 1 500 m wordt er niet in banen gelopen.

24.21

Bij alle wissels mogen de atleten hun loop niet buiten de wisselzone beginnen; zij moeten dus binnen de wisselzone starten. Als een atleet zich niet aan deze regel houdt, moet zijn ploeg worden gediskwalificeerd.

24.22

De laatste lopers in de medley relay en de derde en vierde lopers (of volgens regel TR24.17.2 ook de tweede loper) van de 4 x 400 m en de 4 x 400 m gemengd moeten zich, onder toezicht van een daarvoor aangewezen jurylid, in dezelfde volgorde (van binnen naar buiten) opstellen, als die waarin hun aankomende ploeggenoten de laatste bocht ingaan. Als de aankomende atleten dit punt eenmaal gepasseerd zijn, moeten de wachtende atleten deze volgorde aanhouden en mag de plaats bij het begin van de wisselzone niet meer worden veranderd. Als een atleet zich niet aan deze regel houdt, moet zijn ploeg worden gediskwalificeerd.

Opmerking

Als de 4 x 200 m niet volledig in banen gelopen wordt, en de voorgaande afstand niet geheel in banen gelopen is, dan moeten de atleten zich (van binnen naar buiten) opstellen in de volgorde van de startlijst.

24.23

In alle andere estafettes, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van aparte banen met inbegrip indien van toepassing van de 4 x 200 m, de medley relay, de 4 x 400 m en de 4 x 400 m gemengd, mogen de wachtende atleten voor het overnemen van de estafettestok van hun ploeggenoten zich in de binnenbaan opstellen, onder de voorwaarde dat zij niet duwen, dringen of andere atleten de doorgang belemmeren. Bij de 4 x 200 m, de medley relay, de 4 x 400 m en de 4 x 400 m gemengd moeten de wachtende atleten de volgorde handhaven zoals die in regel TR24.22 is beschreven. Als een atleet zich niet aan deze regel houdt, moet zijn ploeg worden gediskwalificeerd.

24.24

In het geval van estafettewedstrijden die niet in deze regel worden beschreven, moeten de regels die toegepast moeten worden, en de methode waarop de estafette moet worden uitgevoerd in de desbetreffende wedstrijdbepalingen worden gespecificeerd.

Groene tekst

De chefs moeten bij de wisselzone blijven die aan hem en zijn wisselpuntcommissarissen is toegewezen. Zodra de atleten op de juiste plaats in hun baan zijn opgesteld en de wedstrijd is gestart, zijn de chef en zijn wisselpuntcommissarissen verantwoordelijk voor het rapporteren van alle overtredingen van deze regels maar ook van andere overtredingen en in het bijzonder die van regel TR17.

► NED

Zweedse estafette

24.25

Voor de Zweedse estafette (400 m - 300 m - 200 m - 100 m) gelden, onafhankelijk van het aantal ploegen dat eraan deelneemt, de volgende regels:

  • met estafettestok;
  • start op de speciale startlijnen van de Zweedse estafette nabij de startlijnen van de 200 meter;
  • de eerste loper van elke ploeg mag meteen na de bocht bij de overgangslijn Zweedse estafette naar de binnenbaan;
  • eerste wissel in wisselzone van 30 m;
  • tweede wissel in wisselzone van 30 m;
  • derde wissel in wisselzone van 30 m;
  • finish op de finishlijn;
  • wachtende atleten mogen zich vrij in de binnenbaan opstellen, onder de voorwaarde dat zij niet duwen, dringen of andere atleten de doorgang belemmeren.